terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar volgende aflevering

Een retourtje Aqaba, Jordanië - Marcel en Adriaan op twee motorfietsen naar de Rode Zee.

Verslag 4

Ramadan

Ik zit in de kelder van restaurant "Caïro" in Amman, waar alle tafeltjes bezet zijn. Het is zó vol, dat aan 'mijn' tafeltje drie andere Jordaniërs zitten die elkaar net zo min kennen als ik hen. Er is geen enkele stoel meer vrij. We hebben allemaal behoorlijk trek, al verwacht ik dat mijn tafelgenoten méér hongergevoel hebben dan ik. (De mannen zijn toch al wat slanker dan ik en zij hebben waarschijnlijk écht sinds 4:00 uur vannacht niets meer gegeten of gedronken. Ik heb vanochtend om 9:00 uur ontbeten en tijdens de motorrit vandaag ruim één liter water gedronken.)

XXX We hebben allen eten besteld, zij door de Arabische naam aan de ober door te geven, ik door op de tafeltjes om mij heen aan te wijzen wat ik wil eten. Het eten is al geserveerd - velen hebben een halve gegrillde kip bovenop een bord heerlijk geurende rijst, een salade met tomaten, uien en koriander en een rode soep. We hebben vrijwel allemaal een schaaltje yogurt en een glas (leiding)water. Vooral de geur van het vlees wakkert de eetlust flink aan.

Maar niemand eet. Het is nog geen 18:37 uur - de imam heeft het startschot nog niet gelost. Iedereen zit te wachten of doodt de tijd met kijken naar mij, die ene zonderlinge Westerling die zich samen met de lokale bevolking ogenschijnlijk aan de Ramadan houdt. Men vindt het zichtbaar leuk dat ik net zoals iedereen wacht totdat het tijd is. Iemand gebaart dat er naast mijn bordje geen blikje Pepsi staat, zoals bij vele anderen. Er wordt snel nog een blikje voor mij gehaald.

Buiten klinkt een harde knal. Iemand roept van bovenaf de keldertrap dat de tijd gekomen is. We breken het vasten met een klaarliggende dadel en we drinken gulzig van het water. Het voedsel dat zo lekker ruikt, smaakt nog véél beter. We zijn blij dat Allah de zon heeft doen ondergaan en dat we weer een dag dichter bij het Suikerfeest zijn.


Aqaba snel bereikt

Marcel en ik zijn beiden gefascineerd door woestijnen. De enorme ruimte, het extreme klimaat, de kleuren, de ogenschijnlijke afwezigheid van bewoners - het zijn allemaal aspecten die ons nieuwsgierig maken. In een reis naar Aqaba hóórt een woestijnetappe, het liefst met een overnachting ergens middenop een kale rotsvlakte. We hebben al het één en ander gehoord over hoe donker het is (hoewel we daarmee pech zullen hebben - het is volgende week volle maan) of hoe stil de woestijnnacht is.

XXX Sinds vanochtend zijn we op weg langs de Iraakse en later de Saudische grens. We hebben redelijk gedetailleerde wegenkaarten, en op die kaarten staan een paar gestippelde, dus onverharde wegen dwars door de woestijn. Er is één probleem: we kunnen de weg niet vinden. Hoe goed we ook kijken op de plaatsen waar de piste op de asfaltweg zou moeten aansluiten - we vinden niks. Een geraadpleegde herder begon een heel verhaal dat waarschijnlijk uitlegde dat 'iedereen' over de asfaltweg gaat.

"Als we doorrijden tot aan Ma'an", zeg ik tijdens 'werkoverleg' met Marcel, "dan kunnen we daar de woestijn in, richting Wadi Rum". Ik heb op de kaart gezien dat nét ten zuiden van die stad een spoorlijn loopt en dat de stippellijn ten oosten en ten westen geflankeerd wordt door een asfaltweg. "Op de kruising pal zuid, dan het spoor over en we kunnen het niet missen", denk ik.

Andermaal is de piste niet te vinden - we rijden dan maar aan de hand van de GPS over de sporen van auto's die overal kris-kras door de woestijn lopen. Het landschap is doorklieft met droge rivierbeddingen (wadi's in Arabisch) die oost-west lopen. Wij gaan zuidelijker; telkens als we denken dat we even vooruit kunnen over een mooi plat stuk duikt er weer afdalinkje op, gevolgd door een stenen rivierbed en een helling.

XXX Het is hier erg mooi - het lijkt een bende grind, gruis en stenen, maar in de wadi's staan heel andere grassen en struikjes dan bovenop de vlakte. In wanden van de rivierdalen kunnen we weer een geologische kalender zien - met laagjes sediment in allerlei kleuren en vormen. Zelfs de bovenkant van de vlakke stukken biedt verrassingen: een donkere toplaag bovenop rood gruis (die sporen makkelijk zichtbaar maakt).

Ik steek met wat moeite een wadi met vuistdikke keien over en beklim de helling. "Gelukkig heeft zo'n BMW behoorlijk wat vermogen", mijmer ik, "want ik moet er niet aan denken dat ik al mijn bagage telkens 10 meter omhoog moet slepen op eigen spierkracht." Ik kom bovenaan tot stilstand en ik zoek Marcel. Hij staat honderd meter oostelijk van me naast zijn motor. Hij wilde de keien mijden maar is vastgeraakt in het droge rivierzand. Marcel is dapper aan het vechten maar uiteindelijk zijn er toch twee man nodig om het ding weer vlot te trekken. "Eigenlijk is dit terrein te ruig voor zware motoren met veel bagage", peins ik maar snel wuif ik die gedachte weg: "We zijn redelijk geoefende motorrijders en straks, als we de piste hebben gevonden, zal het eenvoudiger zijn."

Uiteindelijk vinden we een wat groter spoor en hopen dat het de stippellijn op onze kaart is, al loopt het veel westelijker dan op onze kaart. Maar ja, het kan een bocht zijn om die diepe wadi vóór ons te omzeilen. We volgen de soms diepe bandensporen - kennelijk komen hier ook grotere voertuigen.

Ik raak in een geul die (kennelijk) volgewaaid is met stof zo fijn als bakpoeder. Ik herstel (door wat gas bij te geven), alleen om even verderop in een nog diepere geul met ongeveer 60 km/u te crashen. De motor valt hard en ik sla over de kop en beland op mijn rug naast de motor. Eventjes zie ik niets meer - het poederfijne zand hangt in een grote wolk om me heen. Mijn helmvizier heeft een handvol van het spul geschept - overal is rood stof. Ik hoor de motor nog lopen en zet 'm uit. Ik kan nog staan en mijn armen werken ook: ik heb niks gebroken, gelukkig.

XXX Inmiddels is Marcel aangekomen en samen zetten we de motor overeind. (En zoals altijd, vergeten we een foto te maken - de foto die zo mooi naast deze tekst had gepast.) Ik trek mijn beschermende motorjas uit en vind een zwelling ter grootte van een half kippenei aan mijn rechteronderarm, juist daar waar de elleboog beschermer ophoudt. En ik heb een gekneusde rib, al doet die (nog) niet zeer.

De motor is er erger aan toe: één koffer is behoorlijk verbogen (de deksel past er niet meer op), de koffersteun en het achterframe zijn krom, de helft van mijn watervoorraad is weggestroomd uit een gebarsten waterzak en ik heb een assortiment kleinere probleempjes waaronder een kapotte richtingaanwijzer.

Het is waarschijnlijk beter om niet te kamperen (met slechts weinig water): als ik morgenochtend door de kneuzingen mijn motor niet meer kan hanteren hebben we nog grotere problemen.

En we hebben nu al problemen: we weten niet waar we zijn. Tenminste, niet nauwkeuriger dan 10 km op onze 1:800.000 kaart. We zijn waarschijnlijk niet op de stippellijn op de kaart. We kunnen proberen dwars door de woestijn de asfaltweg ten oosten van ons (naar Saudi Arabië en Wadi Rum) te bereiken, of die ten westen (naar Aqaba). Maar we gaan uiteindelijk voor de 'zekerheid' van het bekende pad: iets meer dan 30 km terug, door de wadi's, over de sporen. Natuurlijk herinneren we ons niet van iedere streep in het zand of dát degeen is die we al hebben gereden, maar we komen weer bij de spoorlijn uit, en daarmee op - voor gehavenden - makkelijk berijdbare asfaltwegen.

We hijgen even uit en proberen een beetje van het stof uit onze kleren te slaan. Het poeder komt alleen maar dieper in de vezels te zitten - vooral ik ben erg vies. We besluiten door te rijden naar Aqaba, ook al zullen we dan een stuk in het donker moeten rijden. We rijden in anderhalf uur de woestijn uit, van ongeveer 1.000 meter hoogte naar de Rode Zee. We zijn gewend dat de zonsondergang wat verkoeling brengt - vanavond loopt de temperatuur op omdat wij steeds dichter bij de zee komen.

We zoeken onderdak in een viersterren hotel dat ons gelukkig niet weigert zoals men in Turkije deed. Zelden was een douche zo prettig, ondanks het gechloreerde water.

XXX De volgende ochtend maken we de motoren schoon op wat later de directeursparkeerplaats van het hotel blijkt te zijn. Een plakbandje is genoeg om de richtingaanwijzer bijeen te houden, voor de rest trekken we de stad in. Met behulp van geavanceerde gereedschappen, zoals een hamer van 2 kilogram, één van 3 kilogram en een eind hout boetseer ik met de hulp van een aantal Jordaniërs in een bandencentrum de aluminium koffer weer wat in model. De koffersteun krijgen we ook weer recht, aan het frame beginnen we maar niet. De motor rijdt immers nog, enne: "Don't fix it if it ain't broken!".


Eindpunt

"Shhh" - "Pffffpfffpfff": ik hoor het vertrouwde geluid van een ademautomaat op 15 meter diepte. "Shhh" voor kort inademen, "pfff" voor het trage uitademen, zoals ik sigarenrook langzaam placht uit te blazen. Langzaam ademen, traag bewegen, rustig kijken - en de zee en het zeewater over lichaam en geest laten komen.

XXX Inmiddels zijn we 26 meter diep, onder een wrak. De kiel ligt in het midden van de boot vrij en we zwemmen onder tonnen metaal door, langs en zodadelijk dóór het weelderig begroeide wrak, dat bescherming biedt aan vele vissen, planten en koraal. Instructeur Mohammed, die vandaag mijn duikbuddy is, laat me lekker mijn eigen gang gaan - hij heeft het immers allemaal al eens eerder gezien.

Marcel ligt elders in zee - hij is aan het snorkelen. Hij heeft (nog) geen brevet maar zal vanmiddag onder begeleiding een minder diepe duik maken.

Na de boot zoeken we het eind van de lange drop-off op, om wat ondieper water te verkennen. (De drop-off is het stuk zeebodem waar het diep genoeg is om koraal te laten groeien maar ondiep genoeg zodat het zonlicht de bodem nog bereikt.) Ik zie de in de Rode Zee alom voorkomende Duivelsvis (een vis met zeer giftige stekels), een aantal Murene's, wat Schorpioenvissen, maar ook een cleaning station en vele soorten harde en zachte koraal.

Ik koester me in het water - ik laat me heerlijk wiegen door de zee terwijl ik de kleuren van het tropisch aqarium waarin ik te gast ben op me in laat werken.

Terug op de kant is altijd alsof je ruw gewekt wordt, helemaal als ik de tank voor de tweede duik met mijn rechterarm probeer te tillen. Mijn ribben protesteren, maar gelukkig niet terwijl ik duik.

"...", gebaart Marcel onder water. Hij brengt geen woord uit met die ademautomaat in zijn mond maar de boodschap is glashelder. "Het is hier geweldig!" - niet één maar twee handen die een OK teken vormen, schuddend als de twee juichende handen van Fernando Alonso na een gewonnen F1 race.

XXX We zijn in een koraaltuin, en een hele mooie. De bodem is zanderig (op zand vindt koraal geen houvast) met rotsformaties die in de afgelopen eeuwen zijn uitgegroeid tot enorme bouwsels. Verschillende zijn erg hoog - ik schat wel tien meter. De wanden zijn steil - bijna loodrecht - de droom van iedere duiker. Langs een loodrechte wand is het voor iedereen gemakkelijk om je hoofd tot centimeters dicht bij het leven onder water te brengen. En zo kan ik de miniscule tentakeltjes van het koraal met het blote oog waarnemen.

Marcel is een soort passagier in zijn eigen duikuitrusting: Mohammed bedient de knoppen, zodat Marcel op zijn gemak alles kan bekijken. Hij heeft duidelijk erg veel schik in dit reuzen aqarium. En de zandbodem maakt het mogelijk dat ze beiden even gaan zitten, iets dat in Bonaire vrijwel onmogelijk is.

Mohammed heeft kennelijk zoveel vertrouwen (in mijn duikvaardigheid, of gewoon dat Allah voor ons zal zorgen) dat hij toestemt dat ik de duik solo voortzet als Marcel en Mohammed het water verlaten. Nu hoef ik niet eens meer op mijn buddy te letten en ik dobber heerlijk nog een half uur rond in het zoutwaterbad met de kleurige bouwsels. Het symbolische einde van de reis is bereikt en het is de moeite waard.


Ziek

Ik zit in de wachtkamer van de arts en schrijf een SMSje aan Mirjam: "De geschiedenis herhaalt zich: reisgenoot aan infuus". We zijn in Kapadokya, Turkije. Onze reis begint nu aardig te vorderen - we zijn (al) terug in Turkije en zouden, om aansluiting te vinden op de veerboten naar Europa, vandaag in de zon gaan liggen aan het zwembad en dan Kapadokya bekijken, hoewel mij dat niet zo interesseert. Marcel heeft wel gelegen, maar niet aan het zwembad. Hij heeft de hele dag groen en grijs van ellende gependeld tussen zijn bed en het toilet. Wachtend totdat de infuusfles leeg is, denk ik terug:

XXX Vier jaar geleden hebben Mirjam en ik Turkije doorkruist op twee motorfietsen. Reisgenoot Mirjam, die in Zuid-Amerika aan het ontvangende eind van de infuusfles zat, had in Turkije geen centje pijn. Ik ben daarentegen tijdens die reis drie keer flink ziek geweest. Ik weet nog hoe dat voelt - ik herinner me die keer dat ik bij een benzinestation de motor met mijn laatste krachten op de standaard hees en dat ik toen een half uur met mijn hoofd tussen mijn handen op een stoepje zat. Ziek zijn op reis is ellendig.

Ik begreep waarom Marcel ergens in Syrië eerst zijn motor liet vallen en een half uur later in het stof ging liggen slapen onder een piepklein boompje bij de politiepost aan de kruising van de weg naar Bagdad en Damascus. Dat ie na aankomst in Al Hassakeh, Damascus en Amman eerst een paar uur ging liggen was begrijpelijk. Dat we niet onmiddelijk medische hulp hebben gezocht is wat minder begrijpelijk. "Kost te veel tijd", "taalprobleem", "misschien onbetrouwbaar", "vanochtend gaat het al weer beter" - we hadden telkens wel een reden om niet te gaan.

XXX In Istanbul dachten we dat de vijgen besmet waren, in woestijn dachten we aan dehydratatie omdat Marcel veel minder dronk dan ik, maar nu legt de arts een ander verband: een sluimerende e-coli besmetting, die telkens opspeelt als Marcel moe is.

De man maakt korte metten: een halve liter zoutoplossing, iets erin tegen braken en misselijkheid en Marcel heeft binnen het uur weer kleur, praatjes en ... eetlust! Een partijtje antibiotica doet de rest, hopen we.

Moraal: zoek een arts als je ziek bent. Ik leer mijn eigen lessen en die van Marcel. Langzamerhand.


Chronologie

Vanaf Palmyra gaat het vlot naar Damascus, waar we een prachtig 150-jaar oud gebouw betrekken middenin Damascus (helaas voor mij weer een bed met beestjes). We maken in dat hotel met een Arabische versie van Windhoos een netwerkje zodat de Internet verbinding door twee PCs tegelijk kan worden gebruikt. Windhoos is bijna vermakelijk als je het scherm niet kunt lezen...

Damascus - Amman is een fluitje van een cent; de Jordaniërs geven ons (tegen betaling) onmiddelijk een visum. In Amman kiezen we een hotel uit de reisgids, dat als zeer schoon staat aangeprezen maar verruilen dat voor iets dat écht schoon is en bovendien middenin de stad ligt. Er komt een dag dat ik helemaal geen reisgids meer meeneem...

Vanaf Amman gaat het oostwaarts richting Irak en Saudi Arabië, over een zoutvlakte op zoek naar gestippelde zijwegen. Na een crash rijden we snel(ler) door naar Aqaba om een stukkie te zwemmen: Mission accomplished.

XXX De weg van Aqaba via Petra naar de Syrische grens verloopt voorspoedig, maar de Syriërs zijn niet zo erg blij ons terug te zien. We hebben geen visum, en ze willen dat we er één halen in Amman. Of we kopen een transit visum voor drie dagen. "The Syria National Bank is only for taking money!", wordt ons doodleuk uitgelegd door de bankbediende. Voor een land dat Amerika als de vijand ziet hebben ze geen probleem met US dollars: visa moeten betaald worden met dollars, die je omwisselt in Syrische Ponden. Dat ik een pak Syrische Ponden bij me heb maakt niet uit: we moeten hier en nu dollars wisselen. Over dubbele moraal gesproken....

In Turkije mengen we ons onder de toeristen in Kapadokya, Pamukkale en Efes. Niks over te melden - het lijkt er net West-Europa, maar dan met meer prullaria verkopers en andere gladde en handige jongens. Waaronder een soort valsemunters, die met zand ingesmeerd metalen schijfjes proberen te verkopen als 2.000 jaar oude, uit opgravingen ontvreemde munten.

XXX Dan slaan we wat stukken over. Per boot. Eerst van Çesme in 30 minuten naar het Griekse eiland Chios, vervolgens met de nachtboot naar Athene. Over land zou dat drie dagen rijden zijn geweest. We lummelen nog wat rond in Griekenland, vooral om verse calamari te eten, en gaan dan naar Patras. Om 23:59 vertrekt daar een boot naar Venetië en wij bekwamen ons verder in het slapend afstanden overbruggen.

Vanaf Italië gebruiken we nog twee dagen om in België terug te keren. De BMW teller staat 13.632 kilometer verder dan bij ons vertrek, en onze banden zijn niet eens helemaal versleten! Voor een grote kaart (in een nieuw venster) klik je hier.

De reishonger is weer even gestild - al ben ik, zoals altijd, aan het nadenken over 'de volgende'. Stay tuned!



terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar volgende aflevering