Van Santiago de Chili naar het Noorden op BMW R1100 GS en Kawasaki ZR7-S motorfietsen.

Eerste verslag (van 26 november 2002 tot 25 dec 2002)

Niet thuis

"Lekker hé, zo'n verplaatsbaar huisje?", zeg ik tegen Mirjam. We zijn in Pirque, in Chili. Deze plaats is thuis voor het wereldbefaamde wijngoed Concha y Tora (Schelp en Stier - de achternaam van de oprichter). Vanochtend om 11:00 uur zijn we rondgeleid langs de velden en de wijnmakerij, en onze smaakpapillen zijn niet vergeten. Mirjam heeft (dus) een middagdutje gedaan en nu zijn we er klaar voor ... "Wat gaan we eten?" - "Ik weet het niet; liever niet meer zo achterlijk veel gebarbequed vlees als gisteren". "Ik heb eigenlijk helemaal geen zin naar een restaurant te rijden: zullen we maar niet eten?". "Hé ja, lekker in ons tentje blijven liggen, even wennen aan ons nieuwe thuis..."

We hebben een nieuw thuis: de wereld. De Chileense douanier vroeg: "Waar ben je?", omdat hij mijn tijdelijk adres in Chili op een formulier moest invullen. "Ik ben nu bij u", was mijn antwoord. "Ja, maar waar slaap je?", vroeg de ambtenaar. "Ik heb geen enkel idee". Zijn mond zakte open. "Waar zijn je spullen?" - "In deze twee tasjes, de rest in de kist bij de motoren die u gaat vrijgeven". Onze wereld is heel groot en tegelijkertijd erg klein.

Alles is gereduceerd tot wat er op of aan onze motoren past. Ons huis is nu een tent met een vloer oppervlak van 2 meter en 20 centimeter in het vierkant. De muziek (van het land waar we toevallig zijn) komt uit het kleine luidsprekertje van onze wereldontvanger in plaats van de mega-boxen in België. Televisie hebben we niet, DVD evenmin. Onze garderobe is verkleind tot zo'n 20 stuks, sokken meegerekend. Van mijn grote, veelkleurige computerscherm blijft over: één-kleur past-in-handpalm. Eén jaar lang mijn haren niet laten knippen en intussen lekker roddelen bij kapper Maurice in Trois-Ponts. Het ligbad is een jaar onbereikbaar. Ons eigen bed is natuurlijk ook achtergebleven...

De motoren brengen ons overal in deze wijde wereld. We blijven in de tent, vanavond, ook om nog even te wennen aan het idee. Een jaar lang is ons 'thuis' vreemd: het zal dagelijks veranderen. We zijn nog maar nét weg hebben nu al een huiskamer met uitzicht op bergen, rivieren en vulkanen gehad. Dat hebben we in België niet. Daar kunnen we ook niet vanmiddag beslissen dat we ons complete thuis een paar honderd kilometer verplaatsen. Het is anders, het is omgekeerd. Het is ook even wennen.

Vulcan-encounter

De Antuco vulkaan in ChiliWe rijden al twee dagen op de Panamericana: de weg die in onze reis zo'n grote rol speelt. Het is de doorgaande route, langs het Andes gebergte, van het zuiden van Zuid-Amerika naar het Noorden: Alaska. Santiago de Chile doet erg Westers aan: we zien glanzende hoog-bouw kantoren in het centrum, we staan in verkeersopstoppingen, we ademen smog, we rijden door voorsteden met hele mooie woningen, we mijden de bekende fast-food restaurants (McDonalds, PizzaHut) en passeren verscheidene hele grote shopping-malls. Over snelwegen, dus. En die zijn we n· al zat. De laatste 500 kilometer snelweg gaat door wijnvelden, voorbij immense reclame borden, en vooral _langs_ de naar mij roepende besneeuwde Andes pieken.

We besluiten van de weg af te gaan en onze eerste Andes-encounter het hoofd te bieden. We zetten koers naar de Antuco vulkaan van bijna 3.000 meter hoog. Het is een vulkaan uit een schoolboek: een puntige berg met een gat in de bovenkant. En deze is helemaal besneeuwd. De snelweg is vlot vergeten als we even later langs de kant van de weg stoppen om wat te drinken. "Gelukkig!", verzucht ik, "ik was even bang dat we de halve wereld zijn overgestoken om niets anders te zien dan vier-baans wegen en hamburger tenten." We staan in een dennenbos dat wordt afgewisseld met eucalyptus aanplant en wat weilanden. We snuiven de geuren van de eucalyptus bomen die zich koesteren in de middagzon.

Onderweg laat de vulkaan zich af en toe zien. We passeren een dorpje, met van die schamele woningen die gebouwd zijn voor een klimaat waar het nooit écht koud wordt. De mega-supermarkten van Santiago zijn vervangen door een winkeltje in de voorkamer van een huis. De grutter woont dan achterin. Alles is wat kleiner, vriendelijker, bijna 'gezelliger', dan in de door de westerse levensstijl beŽnvloede grote-stad. De weg door zo'n dorp is verhard, de zijwegen zijn van zand of grind.

Onze vulkaan bevindt zich in een beschermd natuurgebied, in een parque nacional. We rijden nog vijftig kilometer: de vulkaan wordt groter en groter. Net als we er goed zicht op krijgen en we het laatste nederzettinkje achter ons hebben gelaten houdt het asfalt op. Het grind, de gravel begint. Mirjam moet moeite doen om haar motor op het pad te houden, maar het lukt haar uitstekend. Na twintig zware kilometers stoppen we bij een waterval. Een zijtak van de Laja rivier stort zich hier van een afgrond in een poeltje van ijskoud gletscher water. We drinken wat water uit de rivier en besluiten dat we zullen doorrijden tot het meer dat ergens boven ons moet liggen. Twee bochten verder valt Mirjam om in het dieper wordende grind, gemaakt van lava kiezels. Mirjam is ongedeerd, het dynamohuis van de motor ligt wel open. Lopen is al lastig, rijden is moeilijker. Het terrein is meer geschikt voor motorrijders met veel ervaring. De vulkaan blijft ongenaakbaar staan; kortstondig denk ik dat ie ons uitlacht. Ik werp tegen: "na jou komen er meer vulkanen". We gaan eerst een slaapplaats zoeken.

Chileens kamperen

WatervalDe mooiste boeken en verhalen (voor mij) zijn de schrijfsels waarin de auteur mij meteen onderdompelt. In 'Neuromancer' vertelt William Gibson vanaf pagina één over een complexe samenleving die alleen in zijn fantasie bestaat. Maar hij doet geen moeite de lezer houvast te bieden door een vergelijking met onze wereld te maken. Je begint gewoon te lezen en Gibson vertelt. Natuurlijk begrijp je niet alles - je bent een vreemdeling die op bezoek is in een andere wereld. De film 'The Matrix' maakt gebruik van hetzelfde aspect.

Reizen is (voor mij) vergelijkbaar. Het land dat ik bezoek is middelpunt. De samenleving waarin ik te gast ben doet gewoon haar dagelijkse dingen, mét of zonder mij. Als ik iets niet begrijp, dan is dat mijn probleem. Het is heerlijk om mijzelf te verlustigen aan de schouwspelen die langs de koplamp van mijn motor trekken. Ontheemd en niet-begrijpend beschouw ik de maatschappij waar ik tijdelijk deel van ben.

In Europa kennen we kampeerders. Mensen die in een tent slapen, nietwaar? In Chili zijn veel plaatsen waar een bord 'Camping' hangt. Als je aan het einde van de middag gaat informeren of je ervan gebruik kunt maken, dan verontschuldigt men zich dat dan wel een heel dagtarief in rekening zal worden gebracht. Warm water is er niet, en zelfs naar Europese begrippen zijn de prijzen fors. Maar móói! We hebben alleen nog maar op plekken gestaan langs (snel)stromend water of aan de oevers van bergmeren. Plaatsen, zó mooi, dat het eigenlijk jammer is je ogen dicht te doen tijdens de nacht.

We besluiten een dagje te blijven nabij de Antuco. Op die manier kan ik het vloeibare metaal toepassen dat ik van België naar Australië meesleepte omdat ik had gelezen dat sommige BMW rijders een nòg destructiever rijstijl dan ik hebben. Zij rijden gaten in de motorblokken en dat is mij niet gelukt. Ik heb voor niks twee potjes 'spul' meegenomen. Maar nu komen ze goed van pas. De Kawasaki heeft een gapend gat in het dynamo huis en het stof van de wegen hier zal de stator problemen bezorgen als het gat niet gedicht wordt. Het vloeibare metaal (eigenlijk gewone epoxyhars met aluminium poeder) dicht het gat vlot en goed. En een dagje langer blijven aan de oevers van een snelstromende rivier, naast een privé vuurplaats en op je eigen pick-nick bank is helemaal geen straf.

Chileense kampeerplaatsOm 8:30 uur 's ochtends horen we aan de overkant van de rivier een busje en een pickup truck. Chilenen. Komen een dagje. De truck zit vol met witte plastic zakjes die worden verspreid over een aantal pick-nick tafels zoals de onze. Het is pas 16°C koel en we zijn niet verbaasd dat we in onze bedden gelegen de geur van vuur ruiken. Om 9:00 uur gaan de kinderen in het gezelschap voetballen, de mama's bereiden een maaltijd, de papa's zitten te praten. Om 9:30 uur besluiten wij dat het buiten met 18°C net warm genoeg is om uit bed te gaan. Wij hebben een niet-verwarmde bergbeek-koud-water douche in het vooruitzicht, en dus niet zoveel haast. De zon verdrijft de ochtendmist en het wordt warmer en warmer. De Chilenen gaan vlees grillen. En eten. En meer voedsel klaarmaken. En een stukkie slapen tijdens de siësta. En nog een biefstuk roosteren. Wat een levensgenieters! En wij? Wij zijn van Europa. Wij denken bij 'Camping' aan slapen in een tent! Stakkers!

Hoewel? Wij zijn de enigen op de campings, gedurende de nachten. Rust! Stilte! Na een hele dag motor- en windgeruis is dat een verademing. Chileense campings 'omgekeerd' gebruiken is zo gek nog niet...

Een klimatologisch wonder

Ik houd van zonlicht. Jarenlang 'moest' ik één keer per jaar naar een plek met veel zonlicht, vaak met het excuus dat ik heel lang niet meer in tropisch water had gezwommen. Ik was gewend geraakt aan deze jaarlijkse 'licht-therapie' en nam de hoge temperaturen op de koop toe. Ik houd niet zo van hitte. Ik wen er uiteindelijk wel aan, maar ik slaap er slecht van en voel me onprettig als ik me inspan, bijvoorbeeld als ik een Bonairiaanse pick-up truck laad met perslucht tanks voor de scuba-duiken voor de middag.

Chili heeft het perfecte klimaat (voor mij). De voornamelijk aanlandige (westen)wind brengt ijskoude lucht van de Stille Oceaan naar het vaste land. De nachten zijn, als de zon is ondergegaan, koud. Casablanca (in Marokko) en Islamabad (in Pakistan) liggen 33 boven de evenaar - daar is het in de zomer heet, heel heet. Overdag blijkt dat Santiago ook slechts 33 van de evenaar af ligt: de zon is hier immens sterk. De koude zeewind wordt hier snel opgewarmd tot meer dan dertig graden, maar alleen rond de middag. Die tijd is op dit continent bekend als de siësta - wanneer men eet en slaapt. In de ochtend en de namiddag zijn de temperaturen erg prettig. Tenzij het bewolkt blijft, want dan heb je wel een trui nodig.

En bovenop de Villarica is het ook koud....In het Meren-Gebied (zo'n 750 kilometer naar het zuiden) wordt het overdag minder warm. En het regent er regelmatig, wat ervoor zorgt dat de omgeving mooi groen is. Hier zijn veel Duitse immigranten - het klimaat lijkt op dat van 'ons'. Als de wolken de zon verstoppen is het kil, ook middenin de zomer. Als de zon schijnt wordt het warm zonder direct tropisch te zijn. Mijn (nog) bleke huid heeft aan een half uur genoeg om te verbranden. Als het regent dan zijn de buien heel hevig, met onweer. In de winter komt de temperatuur in de nachten wel eens onder nul, maar haalt overdag altijd wel 10 . In de zomer is het 's nachts fris (10 ) maar overdag kan 30 worden gehaald. Het is Noord-Californië in het kwadraat - het is mijn favoriete klimaat.

Omgekeerd

"Als het hier winter wordt, dan zijn we weg! Naar de zomer!", heb ik in de aanloop naar deze reis vaak gezegd. Iedereen weet, dat de seizoenen omgekeerd verlopen op het zuidelijk halfrond. Ik weet dat ook, maar of ik me het zo goed besef... In Australië, dat ik ken van een vorige reis, reed ik in de maand mei door een hete woestijn en was ik in juni en juli in de Australische winter. Maar dat was aan het einde van 14 maanden warmte en zonlicht. Mijn biologische klok vond ook wel dat het tijd was voor winter.

We zijn nu uit de Europese zomer gekomen en ... opnieuw is het zomer. Het gras in de weilanden is groen en opgefleurd met veel kleurige bloemetjes. De okergele brem gemengd met paarse lupinen langs de wegen maken het aanzicht bijna feestelijk. Het loopt hier tegen het einde van de lente - hooikoorts tijd. (En jawel: ik loop te snotteren.) De omkering is totaal: De koeien hebben kalveren, lammetjes huppelen in de wei en een enkel big vindt zichzelf al groot genoeg om zelf wat langs de weg te scharrelen. De bomen zitten juist volledig in het blad alles ziet er fris uit.

Mirjam lust graag karbonadeDe toeristencentra ontwaken uit hun winterslaap - hotelkamers worden gelucht, gebouwen worden nog snel even geverfd, de laatste renovatie versneld uitgevoerd - het hoogseizoen is aanstaande. Over seizoenen: het voetbal seizoen is hier in volle gang. Te herkennen aan het langgerekte "Goaoooooooool!" van de commentatoren uit de radio's die werkelijk overal aan staan, op zondagmiddag.

Ik heb het meest van mijn leven op het noordelijk halfrond gereisd. Als daar de zon achter je is, ga je naar het noorden. Als je dat blijft doen, dan wordt het kouder. En de dagen worden er langer. Allemaal begrijpelijk, maar mijn navigatie instinct heeft er veel moeite mee. Voor mijn gevoel draait de zon verkeerd om me heen. Nog steeds komt onze warmtebron in het oosten op en gaat onder in het westen. Maar hier draait de zon via het noorden. Als ik nu rechtuit rijd met de zon op mijn rug, dan ga ik naar het zuiden. Ik presteer het daardoor zelfs oost en west te verwisselen. En mijn links-recht besef is ook al knudde...

Alle Zuid-Amerikaanse landen zijn ooit een keer een kolonie geweest van Spanje of Portugal. OK, Engeland, Nederland en Frankrijk hadden er ook een hoekje. Het zijn in alle gevallen Christelijke landen. Dat heeft er weer eens toe geleid dat de inheemse bevolking zo snel als mogelijk werd bekeerd of uitgeroeid. De Nederlanders waren daarnaast samen met de Portugezen ook nog eens bedreven slavenhandelaars, die hun geroofde 'waar' verkochten aan godvrezende plantage bezitters. Kortom, Zuid-Amerika is overwegend Katholiek. Zomer of geen zomer - Kerstmis zal er zijn. We hebben zelfs een verlichte kerstboom naast de tent van vakantievierende Argentijnse kampeerders zien staan!

Patagonië

Patagonië... Wat is er al veel over je gezegd en geschreven! De wind, de vlakte, de oneindigheid en de wegen naar je toe. Patagonië, wat ben je overgewaardeerd! Je bent een koude woestenij, die in de regenschaduw van de Andes ligt. Natuurlijk, je bent ontoegankelijk en je hebt een eigen schoonheid. Je wegen zijn een uitdaging, je klimaat, vooral de windkracht, zijn een inspiratie. Maar helemaal 'puur' ben je helaas ook niet meer.

PatagoniëMaar ik voel me, zoals meer rare snuiters, aangetrokken door dit soort oorden. En als ik er dan dwars doorheen mag rijden via gravel, of er overheen via asfalt, dan is mijn keuze snel gemaakt. Een zeshonderd kilometer lang grindpad als onderdeeltje van een duizenden kilometers lange Ruta 40 (spreek uit: roeta kwarenta) werkt op mij als een magneet. Het is de meest westelijke route, het dichtst bij de Andes. Het is de minst drukke en de weg waarlangs het meest van de natuur te genieten is. Ongerept Patagonië - dat is waar ik voor ga.

We rijden een hele dag (over asfalt, nog wel) om Rio Mayo te bereiken. We hebben geluk: omdat we zuid-oost rijden, hebben we de west-noord-westenwind regelmatig achter ons. Het landschap is groot. Er is hier bijna niks, en dat geeft het een eigen puurheid. Nadat we afdraaien naar het zuiden blijkt dat we ongeveer een meter rijstrook nodig hebben: de dwarswind laat ons slingeren als dronkemannen. Tijdens laatste 50 kilometer laat de natuur ons zien wie de baas is: we gaan pal tegen de wind in. Het is hard werken en we zijn blij als we het gehucht dat geen asfaltwegen heeft, bereikt hebben. Rio Mayo heeft 500 inwoners en daarmee is het een flinke nederzetting. Er zijn hier een benzinepomp, twéé supermarkten, een hotel en zelfs een soort gemeentehuis, dat gesloten is. Men kan er kamperen op een plaatsje naast het gemeentehuis, dat overigens ook dienst doet als museum en als toeristen informatie balie. Ik zie geen andere kampeerders bij de BBQ plaatsen in het stof. De plaatselijke zwerfhonden zijn er wel allemaal.

Ik probeer het hotel. Derde rangs, op z'n best. De beheerster is gisterenavond weggelopen uit de opnames van "Married with Children" - ze acteert niet, ze _is_ de vrouw van Al Bundy. Ikzelf heb een voorliefde voor donkerharige dames. Dit exemplaar was donker, maar heeft zichzelf met een goedkoop product van kleur laten verschieten. Ze heeft haar haren zoals Peggy Bundy naar voren gekamd. Haar neus en de lijnen om haar mond zijn nóg lelijker. Ze vraagt dertig pesos voor de kamer; we kunnen ook te eten krijgen. De weg naar de kamer zonder raam wordt gewezen door een charmante Argentijnse 'petite', mét donker haar natuurlijk. Het hotel is uitgewoond - ik hoop dat we geen enge ziekten overhouden - maar het is het enige 'in town'.

En da's mijn probleem met deze streek: wij, buitenlanders, zien er kennelijk meer dan ooit uit als PIN automaten. Vanavond hebben wij ons in vreemd territorium gewaagd en we zullen ervan lusten! We worden niet gastvrij onthaald, maar er wordt ons eerst gevraagd naar de waarde van de motoren. Ik heb het gevoel, dat de prijs van de maaltijd ervan afhangt. Hoe duurder de motor, hoe prijziger het stuk vlees. Ik probeer te onderhandelen, maar de feeks kent haar positie goed. Ik betaal wat zij wil, punt uit.

Oneindig lange gravelwegenDe volgende ochtend gaan we weer op pad, nu over gravel. We komen ongeveer vier auto's per uur tegen, de meesten zijn lieden die sneller dan wij in dezelfde richting reizen. 'Iedereen' gaat kennelijk, nu ook hier het vakantieseizoen is begonnen, naar het zuiden. Er zijn (volgens mij) drie belangrijke zuidelijke bestemmingen: 1. 'Los Glaciares', waar de gletscher Perito Moreno direct van de Andes in het Lago Argentina glijdt; 2. 'Parque Nacional Torres del Paine', een natuurpark dat bekend is om zijn turquoise meren met ijsbergen en de zeldzame flora en fauna; 3. Het einde van wereld: Vuurland. Ushuaia is het zuidelijkst bewoonde oord op aarde.

De Patagoniërs wonen in een prachtig oord. Er is hier ruimte en lucht in overvloed. En wind. Er is eigenlijk ook niet veel anders. De vegetatie is typisch die van een woestijn. We zien kleine, bolvormige planten met gele bloemen en heel erg veel doornen, en hier en daar planten met vettige, dikke bladeren. Er is geen gras, er zijn helemaal geen bomen, afgezien van de oevers van de paar rivieren die we passeren. De bodem is zanderig, gemengd met ronde kiezels. Het landschap is zacht-glooiend of gewoon helemaal plat. We bevinden ons tussen 600 en 900 meter hoog, net achter de besneeuwde pieken van de Andes, die we af en toe kunnen zien. We rijden op een gravelweg die aardig berijdbaar is, maar die hier en daar diepere sporen van los grind heeft.

Gravel

Mirjam moet hard werken om haar motor over het grindpad te krijgen. Gelukkig waait het niet zo hard als gisteren - het lukt haar goed. De eerste honderd kilometer van Rio Mayo naar het plaatsje Perito Moreno leggen we in 3 uur af. Het gehucht is bereikbaar vanaf de Atlantische Oceaan via een asfaltweg. Die weg loopt oost-west en wij willen zuidelijk. Na de lunch steekt de wind wat meer op en tot overmaat van ramp wordt de weg slechter. Veel diepe sporen, hier een daar 'wasbord': ribbels in het oppervlak die alles aan de motor verschrikkelijk laten trillen en de machines moeilijk bestuurbaar maken.

Mirjam is het gravel-rijden duidelijk aan het leren: ze doet veel dingen al heel goed, maar ze heeft nog wat moeite met de ogenschijnlijk tegengestelde handelingen. Als je met een motor op losse ondergrond komt, zoals grind, zand of modder, dan geeft je voorwiel je de indruk dat het wil wegglijden. Een normale reactie is dan de gaskraan dicht te draaien, zodat je langzamer gaat. Dat heeft helaas tot gevolg dat het voorwiel nu écht gaat wegglijden, omdat het zwaartepunt van de motor zich naar voren verplaatst. De oplossing gaat tegen de intuïtie in: gas geven. En da's nog moeilijk voor Mirjam.

Argentijnse boerderij

deze hond redde het niet...Opeens zie ik een bord: Estancia y Hosteria, English and Dutch spoken, 40 kilometers. "Dutch?", denk ik, "dat moet een Nederlander zijn". En een kleine pauze is misschien wel een goed idee. De boerderij (estancia) heeft een oprijlaan van slechts drieëneenhalve kilometer en ligt naast een enorm plat vlak tussen de heuvels waarin een riviertje stroomt. Daardoor wil er hier zelfs gras groeien. Het lijkt een oase. De boerderij bestaat uit een paar gebouwen, die helemaal omzoomd zijn met bomen. Bomen krijgen we alleen te zien bij gebouwen, in de steppe staan geen bomen. Ik begin de bomen te missen - ik woon in de Ardennen. Het hosteria gedeelte is eenvoudig: een muur rondom een grasveld om je afgeschermd te laten kamperen en een gebouw met één grote ruimte waarin je helemaal uit de wind kunt zijn. Jezelf (en je boerderij) uit de wind houden is hier een eerste vereiste.

We worden welkom geheten door de electrotechnisch ingenieur Coco Nauta. Van Nederlandse afkomst, geboren in Argentinië. Coco spreekt wel Nederlands, maar het is hoorbaar een vreemde taal voor hem. Er is bezoek: buurman Anthony (immigrant uit Schotland) en familie zitten samen met de familie van Coco rond een hele grote, draaiende tafel, gemaakt van een karrewiel. We spreken dan maar Engels en geen Nederlands. We zijn in een soort schuur, die aan de oostzijde glazen schuifdeuren heeft. Er staat een keukenblok in en er is een open haard met een tweede vuurplaats in de muur op werkhoogte. Die wordt gebruikt om te grillen, kennelijk. Wij krijgen koffie, de anderen blijven wijn drinken.

We beginnen een gesprekje. "De wind valt vandaag erg mee - gisteren was pas erg!", zegt de vrouw van Coco. Ja, dat hadden we gemerkt. Aan mij wordt gevraagd waarom we hier langs zijn gekomen. "Ik vroeg me af, waarom iemand uit Nederland naar een boerderij zonder electriciteit op een winderige Patagonische vlakte trekt." Coco vertelt dat hij voor Philips in Argentinië werkte, totdat de ouders van zijn vrouw van dit landgoed af wilden. Coco en zijn vrouw zijn toen aan het veehouden geslagen. "Hoe groot is deze boerderij?" vraag ik. "Zo'n 60.000 hectare", antwoordt Coco. Zeshonderd vierkante kilometer! "Ja, ongeveer 20 bij 30 kilometer", verduidelijkt Coco.

Hard waaienAnthony en Coco leggen ons vervolgens uit hoe hun bedrijven werken. Anthony is goed voor 400 vierkante kilometer en beiden houden zich bezig met extensieve veehouderij. Dat is wel even wat anders dan we in Europa doen - je laat het vee vrij rondlopen over het terrein. De boer zorgt voor prikkeldraad en water. Ik reken snel uit, dat een eenvoudige omheining van zeven lagen draad al 700 kilometer draad vereist. In sommige opzichten zijn boeren wereldwijd gelijk: Coco en Anthony slaan gelijk aan het klagen. Over veedieven, over de vulkaanuitbarsting van 10 jaar geleden, over de koude winter waardoor het vee niet meer van het bevroren drinkwater kon drinken, de prijzen van vervoer, de lage wolprijs, de Europese landbouw subsidies en de devaluatie van de Argentijnse Peso.

De getallen zijn duizelingwekkend. In een gemiddeld seizoen verliezen de heren zo'n 10% van hun veestapel aan dieven, verhongering of verdroging. Na de vulkaanuitbarsting was er zoveel stof en zand dat de gebitten van de schapen voortijdig versleten waardoor de beesten helemaal niet meer konden eten. Van de 12.000 stuks hield Coco en 4.000 over. Het liefst verkopen ze de wol: eenvoudiger te transporteren dan levend vee of vlees.

"Hoe ben je aan ons adres gekomen?", vraagt Coco. "Ik zag het bord staan, da's alles", zeg ik terug. "Willen jullie blijven kamperen en eten?" - ik krijg de indruk dat we weer als PIN automaat herkend zijn. Het is nog vroeg en we hebben pas 125 kilometer van de 600 grind afgelegd. We denken er drie dagen over te doen, als we vanavond Bajo Caracoles halen, net voorbij het 200 km punt. "We staan ook in de Lonely Planet reisgids", voegt Coco nog toe. Da's voor mij zoveel als een afrader, we gaan nu zeker weg.

Gravel

Na ons bezoekje slaat bij Mirjam de vermoeidheid toe. Ze rijdt tergend langzaam en ze maakt weer alle beginners fouten die ze juist vanochtend had afgeleerd. Een paar keer valt ze bijna. En de wind lijkt nu nog wel sterker. We besluiten naar de volgende estancia te rijden, waar je naar het schijnt ook kunt slapen. Deze boerderij ligt zeven kilometer van de weg af, en heeft een verschrikkelijk slechte 'oprijlaan'. Toen de eigenaar eindelijk opdook kon ik aan zijn iets te dure buitensport broek al zien dat we ook hier zouden schitteren in onze rol als geldautomaat. We mogen niet kamperen, maar moeten verplicht slapen in een soort jeugdherberg. We kunnen ook eten. De prijzen zijn fors voor de eenvoudige, maar complete maaltijd die ons beloofd wordt. We hebben weinig keus: Mirjam kan niet verder rijden.

Dun bevolkt en verlaten heeft zijn landschappelijke aantrekkelijkheden. Door de slechte wegen waardoor we niet snel kunnen reizen worden we wel erg afhankelijk van de hulp van de mensen die hier wonen. En die mensen lijken dat heel goed te weten. Iedereen die afhankelijk is van toeristen moet in twee of drie maanden zijn slag slaan voor een heel jaar. Negen maanden per jaar schijnt er echt geen sterveling Patagonië te bezoeken. En al helemaal geen buitenlandse motorrijders.

Tijdens het diner beklaag ik me over de 'complete' maaltijd waar niet eens groente of een glas water bij wordt geserveerd. Een ander groepje begeleide bus-reizigers hebben een voorgerecht, wijn, brood enzovoort. Men legt me uit, dat ze dat zelf meebrengen, en dat zij echt hetzelfde eten als wij. Ik vermeld nog dat ik de prijs dan onbeschoft vind.

EstanciaIk gebruik de nacht, in mijn eigen slaapzak op een bed dat niet zo fris is, om onze situatie te overwegen. Hoe verder we doorrijden, hoe meer we afhankelijk gaan worden van de ver uiteen liggende punten waar we brandstof, voedsel en onderkomen kunnen vinden. Als het tegenzit, door het weer, of doordat Mirjam te moe wordt, kan het zijn dat we het volgende 'steunpunt' niet halen, of dat, als we toch doorzetten, dat Mirjam iets overkomt. Het zal afhangen van Mirjam en haar rijkwaliteiten. Ze heeft ook niet zo best geslapen vannacht. Opeens lijkt de asfaltweg, 65 kilometer terug, vanuit Perito Moreno naar de kust zo slecht nog niet. We moeten nog ongeveer 600 kilometer naar 'Los Glaciares'; over asfalt wordt dat het dubbele. Maar de kans op ongelukken lijkt me veel kleiner.

"Wil je doorgaan op de kwarenta, of zullen we naar het asfalt rijden?", vraag ik Mirjam als we de volgende ochtend startklaar naast de motoren staan. Het waait flink en het is koud - 8 graden. "We gaan door!", zegt Mirjam moedig. "OK," zeg ik, "maar als we 600 km extra rijden hoef je niet meer gravel te rijden. We moeten dan wel nog even terug, maar dan kun je over asfalt naar de gletscher." Mirjam denkt even en zegt: "Ja, maar jij wilde graag de kwarenta rijden. Nu niet meer?". Ik wil dat wel, maar niet als we een gerede kans lopen dat Mirjam iets overkomt. Bovendien hebben we ruim een kwart gezien. Ik zeg: "Het lijkt me verstandiger ten halve te keren dan volledig dwalen." Tegen de avond bereiken we de kust.