terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering

Van België naar de Turks-Iraanse grens op BMW R1100 GS en Kawasaki ZR7-S motorfietsen.

Tweede verslag (van 7 tot 20 juli 2002)

Een nieuw land

Roemenië is een uitstekende reisbestemming! De mensen zijn bijzonder vriendelijk en behulpzaam. Er is niets te merken van de slechte verhalen die de inwoners van de buurlanden vertellen. Roemenië is straatarm. Als je hier je kennelijke rijkdom demonstreert met behulp van een iets te grote Mercedes met verlaagd onderstel dan mag je, zoals in alle gebieden met rijkdom verschillen, verwachten dat je de verkeerde aandacht trekt. Op onze twee motorfietsen hebben we van die aandacht weinig last. Voor ons slechts bewondering, soms verwondering. Want iemand die voor de lol op een motorfiets rondrijdt die meer kost dan een hele Dacia auto, die iemand die spoort niet helemaal.

Eerste nacht in Roemenië

"Mirjam, ben je wakker?", fluister ik. "Mmmmuhhh", geeuwt Mirjam. "Hoorde je dat?" - "Jaah", antwoordt Mirjam en ze rolt zich dieper in haar laken. Vanochtend om kwart voor negen stonden we aan de grens tussen Hongarije en Roemenië. We zijn in Petrosani en ik begin te begrijpen wat non-stop in het Roemeens betekent.

We zijn in Szeged (Hongarije) vroeg opgestaan, vanochtend. We hebben op de radio gehoord over Nederlanders (van Turkse afkomst, misschien wel in verlaagde Duitse automobielen) die omkoopgeld moeten betalen aan de Roemeense grens en van politieagenten die naar willekeur bekeuren. We hebben voor drie maanden amfetamine bij ons (voor Mirjam) en het grootste deel van ons geld is verstopt onder de tanks van onze motoren. We zijn op het ergste voorbereid.

De douane beambten van Hongarije zijn vriendelijk en we verlaten het land na een vluchtige inspectie van mijn rechterkoffer. De bagage van Mirjam wordt zoals gewoonlijk helemaal met rust gelaten. De Roemeen is wat norser, maar ontdooit onmiddelijk als we van hem willen weten wat "dankjewel" in het Roemeens is. De motoren worden in onze paspoorten geschreven, zodat we ook weer met deze voertuigen vertrekken. Om tien uur (een uur tijdverschil meegerekend) rijden we al weer.

De eerste stad heet Arad. Wel even naar adem happen: veel zeer oude, half vervallen, grijze flatgebouwen. Oude auto's die lijken op Renault-12's met zo'n aflopende kofferbak en motorkap van slechts één merk: Dacia. Wegen die slechter zijn dan die in de Ardennen na een strenge winter. Mensen in armoedige kleding; velen zitten kennelijk werkloos langs de kant van de weg niets te doen. Sommigen drinken op dit uur van de dag al alcoholische dranken. Geen prettige eerste indruk - het is niet zo erg als India, maar het onderscheid met het ook niet steenrijke Hongarije is enorm.

We rijden de hele dag in temperaturen rond drieëndertig graden. In Petrosani willen wij van de doorgaande weg af, de bergen in, maar niet meer vandaag. We zoeken een hotel. In hotel "Onix" tref ik een schoon maar oud bed in een overigens redelijke kamer. Maar "Onix" heeft geen afsluitbare parkeergelegenheid voor de motoren. Ik verlaat het tweede hotel (moeilijke naam), waar ik net heb geregeld dat de motoren in de pantry kunnen staan, om daarna uit te vinden dat de bedden kuilen hebben die diep genoeg zijn om met een touwladder uit te klauteren.

Mirjam is buiten met het gebruikelijke gesprek bezig. "Hoeveel cilinders?" - "Vier!", antwoordt Mirjam en houdt vier vingers omhoog. "Hoeveel CC?" - "750", schrijft ze in de lucht. De omstanders doen onwillekeurig een klein stapje achteruit uit respect voor het gevaarlijke kanon waarop Mirjam zich pleegt voort te bewegen. Nu zullen de maximum snelheid, het merk en natuurlijk de prijs in een harde valuta nog aan de beurt komen, maar ik ben inmiddels tussen de omstanders gaan staan. Ze begrijpen dat we een hotel zoeken. Ik ben door de bijzonder vriendelijke mensen in het hotel andermaal doorverwezen, dit keer naar "Motel Gui". "Oh nee!!", roepen de motorbewonderaars, "Véél te duur!". Het gerucht gaat dat een kamer wel vijftig US dollar kost. "Per persoon!" voegt één er nog aan toe. Dat zouden wij wel willen betalen voor een echt goed bed, maar dat vertel ik ze (nog) niet.

De omstanders, één van hen op een heuse Russische motor de rest op brommers, overleggen even. Aan hun ogen zie ik dat een plan geboren is. "Hierboven op de heuvel ligt een niet-zo-duur hotel, buiten de drukte van de stad", zeggen ze. "We rijden wel even voor jullie uit - het is niet zo gemakkelijk te vinden". Het valt niet mee zoiets af te slaan. Als je zou vragen om aanwijzigen om er zelf te komen dan gaat men erop staan je te brengen. En weigeren zonder te gaan kijken is erg onbeleefd. Bovendien zoeken we een hotel, immers?

We rijden in optocht langs de universteit steil omhoog over een weg die nog slechter onderhouden wordt dan de rest in dit land. Mirjam maakt zich een beetje zorgen over de weg terug, morgenochtend, want er zit een stuk bij waar de weg zo'n 15% daalt en bestaat uit rivierkiezels die in zand zijn vastgereden. We komen uit bij een zeer eenvoudig hotel, maar met een kuil-loos bed. Het is iets minder fris maar we besluiten onze slaapzakken op het onderlaken te leggen en de geurige dekens niet te gebruiken.

De omgeving is prachtig. Het hotel en restaurant liggen afgelegen, in een bos op een heuvel. Een kleine wandeling leidt ons naar een weiland waarvanaf we uitzicht hebben over de stad en de achterliggende heuvels. Een groep jonge kunstenaars zit één alm hoger te werken aan hun schilderijen. We genieten geruime tijd van het uitzicht en het achter ons ontrollende onweer. De donderslagen echoën erg fraai over de vallei waarop we uitkijken.

We gaan in de keuken kijken als de regen in onze buurt komt. De kok maakt een smakelijke maaltijd voor ons, die we eten aan de tafel waar de serveerster, Marianne, kennelijk de hele dag zit: nabij een televisie, naast de bar, bij haar pakje sigaretten. Ze vertelt ons dat ze non-stop diensten draait. "Non-stop?", vragen we. "Ja, 3 etmalen achtereen, en dan kan ik mijn 13-jarige zoon weer zien." "Maar waarom 24 uur per dag - wie komen er op zo'n afgelegen plaats in de nacht?". De vraag wordt niet begrepen en een bevredigend antwoord blijft uit.

"Mirjam, ben je wakker?", fluister ik opnieuw. "Mmmmuhhh", geeuwt ze weer. "Ik denk dat we in een bordeel zijn", zeg ik. Nu heb ik haar aandacht. Samen luisteren we naar de open en dicht gaande deuren van de andere kamers. We horen pompende muziek uit een ruimte aan de overkant en af en toe juichende mannen.

Opeens bonst er iemand op onze deur. Het oude, vermoeide grendeltje is de scheiding tussen ons en degeen die zich duidelijk vergist in het kamernummer. "Bamm!" de deur krijgt een behoorlijke zet en een Roemeense professional schakelt het 100 Watt peertje aan het plafond in en ze begint een tirade. Nou verstaan wij geen Roemeens maar we denken dat ze zei: "Wat doen jullie potverdikkie in mijn vaste bed? Nu ben ik helemaal naar boven gereden en nu sta ik hier met mijn klant en kan verdorie mijn kamer niet in!" Slaperig antwoord ik in Nederlands: "Laat ons slapen - duvel op!". Verbouwereerd slaat ze deur weer dicht maar laat het licht aan. Ik klim uit bed en zie de klant, die wat ongelukkig met de situatie lijkt, naast onze motoren staan. Hij maakt een hulpeloos gebaar terwijl de prostituée zich tevreden stelt met de kamer naast ons.

Bij het krieken van de dag om half zes 's ochtends staan we op, terwijl de muziek en het feestje in de andere kamers nog door gaan. Nog vóór zeven uur zitten we met een heerlijk kopje koffie aan de andere kant van de stad bij te komen van onze nacht in een Roemeens bordeel.

Europa wordt groter?

De vraag: "Moeten de Oost-Europese staten lid worden van de Gemeenschap?" leeft in deze landen (Hongarije, Roemenië, Bulgarije). Hier mag je, zoals in bijna heel Europa, niet met een GSM is een rijdende auto bellen. De nummerborden zijn allen voorzien van een blauw bandje met een nationaliteits kenteken. Het zijn de uiterlijkheden die bijdragen aan het "Europa gevoel". (En wij rijden op motoren met een Belgische nummerplaat die nog niet conform de Europese normen is vormgegeven.)

Ouderwetse diesels in vrachtwagens op leeftijd braken roetzwarte rook, sommige fabrieken stoten geel spul uit hun schoorstenen. De kostprijs van arbeid is laag, getuige de enorme hoeveelheden personeel die we zien in winkels en hotels. Zelfstandige ondernemers hebben 6 daagse werkweken met dagen die veel langer duren dan 8 uur. Verplichte twee jaar garantie op veel producten is uitgesloten, alleen al door de kwaliteit van de spullen hier. De eigen (Dacia) autoindustrie wordt beschermd door een binnenlands monopolie en enorme importheffingen op buitenlandse voertuigen. Brussel is heel ver weg - wat zal er gaan gebeuren als "Europa" gaat voorschrijven dat restaurantkeukens geen houten snijplank meer mogen gebruiken? Of iets waarvan de realisatie duurder is maar de relevantie nog onduidelijker?

Roemenië en Bulgarije hebben een gigantisch overheids apparaat, met veel politie, ambtenaren en de bureaucratie om het allemaal nodig en belangrijk te maken. Van iedere toerist in Bulgarije wordt het nummer van het kaartje in z'n paspoort in ieder hotel of camping opgeschreven zodat statistische informatie over de toeristenstroom kan worden verzameld. Goed idee, maar wel vreselijk veel handmatig werk en dus erg duur. Al die mensen in overheidsdienst moeten betaald worden: veelal door de geldpers te laten draaien. Inflatie is het gevolg, zo'n 20 procent per jaar voor Roemenië.

Over een aansluiting heb ik mijn bedenkingen. Na de Duitse éénwording zijn de Oost-Duitsers vooral teleurgesteld in de snelheid van de komst van welvaart en zijn de West-Duitsers aan het klagen over de prijs die ze ervoor betalen. En daar gaat het om één volk dat na slechts 45 jaar weer herenigd werd, één volk dat bereid is grote offers te brengen voor hun herwonnen eenheid. Van één Europese natie zal wel nooit sprake kunnen zijn. Laat staan dat de Noord-West Europese volken bereid zullen zijn om "Duitse" offers te brengen.

De Oost-Europeanen die wij nu hebben ontmoet zijn pas tien jaar onder het juk van hun totalitaire regimes uit. De jonge democratieën in deze landen hebben een lange weg te gaan. Sommige mensen pakken de geboden kansen: zij dragen bij aan hun economie en zij bouwen hun ondernemingen verder uit. Zij leven nu al in weelde, getuige hun huizen, vervoermiddelen of de wijze waarop ze besteden in restaurants. Vele anderen echter zijn té zeer gewend aan de "Partij" die voor hen zorgde in het socialistische systeem. Deze mensen lijken nu wat stuurloos, want er is geen Ceaucescu meer. Ze verlangen terug naar die tijd, toen hun leven eenvoudiger was. Deze mensen zijn afhankelijk en afwachtend en hebben onrealistische verwachtingen van "Europa".

Een aansluiting als volwaardig partner is (denk ik) uitgesloten. Het zal veel langer dan tot 2004 duren voordat deze landen gelijkwaardig zijn met de Noord-Westelijke landen.

Ik zie twee mogelijkheden: 1. Geen aansluiting. De gewonnen tijd zal bruikbaar zijn voor een reorganisatie van het Europees bestuur, de afschaffing van het veto-recht het eerst, gevolgd door een verdere integratie van "onze" 15 staten. 2. Aansluiting. Oost-Europa kan voor ons worden wat Mexico voor de USA is: goedkope arbeid, minder strenge regels, lagere belastingen. Geen noodzaak meer voor India, Maleisië of China, maar gewoon in onze achtertuin, mét vrij verkeer van goederen.

Wij kunnen de nieuwe "Partij" voor het volk worden.

Ik betwijfel of deze aardige mensen hier in het Oosten het verdienen beheerst te worden door ons, het verdeelde "Europe à la Bruxelles".

Privézaken

Nu we met z'n tweeën reizen, blijft er minder tijd over voor het schrijven van reisverslagen. Mirjam en ik kletsen heel af: "Heb je die vier ooievaars gezien die achter die ploegende trekker scharrelden?". "Valt het je op, dat hier langs de Adriatische kust eigenlijk geen enkele tuin een stukje gazon heeft?". "Zag je die automobilist?!? Een ijsje en een GSM tegelijk!". "Wat regent het vandaag (hier in Slovenië), hé?" - "Ja, laten we maar de hele dag in bed blijven!". "We hebben bijna geen Kroatische Kuna's meer; zullen we dan maar doorrijden naar Hongarije en daar nieuw geld halen?". "Waarom stinken de mensen in het dorp vandaag harder dan gisteren?" - "Omdat _wij_ gisteren te weinig knoflook hebben gegeten!".

Je ziet, de diepgang is van filosofisch niveau. De reisverslagen zijn er wat korter door. Laat ons maar eens horen wat je ervan vindt op ons e-mail adres.


terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering