Solo van België naar Australië op een BMW R1100 GS motorfiets.

Veertiende verslag - 29 oktober t/m 19 november 1998...

Na de grensovergang spoed ik me naar Amritsar. Nadat ik eerst helemaal vastraak in het chaotische verkeer dat zeer inefficient verloopt, kom ik in de buurt van de Gouden Tempel terecht in een hotel dat alleen door Indiërs wordt bevolkt. De gangen die de kamers verbinden zijn in de open lucht. De andere hotelgasten (soms hele families in één kamer) hebben hun kleding gewassen en hebben dat te drogen gehangen over de balustraden. Het is het eerste teken van de geringe privacy waarmee mensen in dit overvolle land genoegen nemen. (Ikzelf zou me wat opgelaten voelen mijn ondergoed voor iedereen zichtbaar voor mijn kamer te hebben hangen.) Maar het besef van de overbevolking zou pas later écht tot me doordringen...

Na vier maanden Moslims, met als afsluiter de Pakistaanse Soennieten die veel strenger zijn dan de Shi'ieten in Iran en Turkije, ben ik oprecht niet meer gewend aan vrouwen die aan het gewone leven deelnemen. Blij verrast bewonder ik de dames die hier gewoon over straat lopen, mij snijden met hun scooters en spullen te koop aanbieden op straat. En mooi aangekleed! Ik vind die Saree's prachtig - mooie felle kleuren die telkens op één of andere manier goed combineren met de shawl of de qamiz. En terwijl mijn kleding gitzwart wordt van de roet die de diesels van de vrachtwagens over ons uitbraken, slagen de dames erin de kleding die ze aanhebben er fris te laten uitzien.

Sikh Omdat het nog vroeg is bezoek ik de Gouden Tempel. Bijna iedereen in de wereld kent de Sikh's met hun tulbanden. Amritsar is hun heilige stad en in die stad is een tempel die het middelpunt van deze religie vormt. Het is niet erg groot: het heilige bad, in een vierkant met zijden van ongeveer 50 meter, bevindt zich in het midden van een soort omloop met nissen. In deze ruimten liggen een aantal mensen (heilig?) te slapen. Anderen, uitsluitend de mannen, baden zich in het water. Ze kleden zich daartoe uit en wikkelen een katoenen lap om hun middel. 'Luier', zoals het Nederlandse stel het formuleerde dat ik op weg naar Chitral, Pakistan ontmoette. Daarna gaan ze te water, tot en met hun schouders. De tulband, die moet blijven zitten, wordt niet nat. Voor het eerst onderga ik de verplichting mijn hoofdhaar af te dekken: ik draag een hoofddoek, anders mag ik er niet in.

In het midden van het bad is de eigenlijke Gouden Tempel. Ik zie dat velen zich via een loopbrug naar het centrum van de tempel begeven, daar een gebed prevelen en weer teruggaan naar de buitenste ring. Er zijn geen Westerse toeristen en de mensen die zich in het binnenste deel wagen hebben allen een tulband of een authentiek hoofddoekje (in tegenstelling tot mijn geomproviseerde hoofdbedekking). De jongeren, die kennelijk het recht een echte tulband te dragen nog moeten verwerven, hebben hun haar in een bundeltje bovenop hun hoofd zitten met daaromheen een dunne hoofddoek die het haar afdekt en bijeenhoudt. Ik vind het geen gezicht - maar de Sikh's denken daar vast anders over. Ze knippen geen van allen hun haar maar dragen het lange haar eveneens in een bundeltje bovenop hun hoofd onder de tulbanden. Sommigen hebben zelfs een netje onder hun kin waarin het baardhaar zit.

Ook de Sikh hebben in hun geschiedenis moeten strijden om een plaatsje voor hun religie. Ein van de Guru's (er zijn er een een stuk of tien geweest - ze zijn een beetje vergelijkbaar met de Paus voor de Katholieke kerk) heeft het verstandig geacht wat militaire elementen in het geloof te stoppen. Strijden voor je recht wordt ze met de (religieuze) paplepel ingegoten en het is niet verwonderlijk dat veel officieren in het Indiase leger Sikh zijn. Dat had mevrouw Indira Ghandi zich iets beter moeten realiseren toen ze het leger op de Gouden Tempel afstuurde om de onafhankelijkheids beweging van de Sikh mores te leren. Ze is er uiteindelijk om vermoord...

OK - ik geef het toe: Ik ben naar deze plek gekomen omdat dat Nederlandse stel dat ik in Pakistan ontmoette (het spijt me enorm dat ik hun namen kwijt ben) een vlammend betoog voor de Tempel hield. En het is deze keer geen 'tourist trap': deze tempel dient een heel duidelijk doel. Ik kan aan sommige van de gezichten aflezen dat hier aanwezig zijn en het baden iets heel bijzonders voor ze is. Ik spendeer een uur zittend op de marmeren vloer aan het kijken naar de andere bezoekers en ik laat de spirituele klanken op me inwerken. Buiten raak ik aan de praat met een oude man die een half uur lang met me meeloopt en me alles wat ik weten wil uitlegt over zijn geloof. Als ie geen priester was, dan moet ie dat snel worden. Natuurlijk komen de echt moeilijke vragen pas in me op als we afscheid hebben genomen...

Ik ben nu in India maar ik heb nog geen flauw idee wat ik wil bezoeken. Ik hoor iets over een 'camel fair' met 50.000 kamelen gedurende de eerste dagen van november in een plaats die Pushkar heet. Het blijkt net iets verder weg dan één dagreis en ik strand bij het laatste licht in alweer een woestijn. En de dag begon landschappelijk erg goed: Ik worstel me Amritsar uit in zuidelijke richting en kom door een plat landschap dat helemaal is ingericht voor landbouw. Het lijkt wel Nederland: boeren op trekkertjes die aan het ploegen zijn, overal slootjes en andere kanalen en akkers met populieren als windbrekers. Alleen de temperatuur (meer dan 30 graden op de laatste dagen van oktober) en vele van de andere boomsoorten, planten en dieren langs de weg kloppen niet met het Nederlandse beeld.

Het lijkt wel Nederlandse landbouwgrond Langzaam gaat dat Nederlandse beeld over in een woestijnlandschap met zandduinen en zeer weinig begroeiing. Ook de inwoners veranderen van landbouwers in rondtrekkende veehouders. En kamelen, veel kamelen kom ik tegen. Soms zijn het hele grote groepen die worden voortgedreven over dezelfde weg als waarop ik rijd. In het 'hotel' van Sardarshahr middenin de woestijn (ik slaap in het bed van de eigenaar) spreid ik de kaart van India uit en begin eindelijk eens na te denken over de plaatsen die ik zal bezoeken. Alle gasten in het restaurant helpen mee mijn route te bepalen. Ik moet zeker naar Agra, want staat de Taj Mahal. En naar Varanasi, want daar vloeit de heilige Ganges. Ik wil eigenlijk helemaal niet naar steden, en ik kies een aantal natuurparken. Het draait uit op een flinke 'ronde van India' - ik denk wel zo'n 10.000 kilometer. De volgende dag ga ik niet meer naar Pushkar, maar eerst naar Agra. De dag (of dagen) erna komt Pushkar en haar kamelen veemarkt wel aan de beurt...

Het eerste deel gaat vlot, maar daarna kom ik op de doorgaande route tussen Jaipur en Agra waar het wemelt van de vrachtwagens. Ik kies een goed hotel 20 kilometer voor Agra en waag me daarna de stad in op zoek naar de Taj Mahal. Als het me meer interesseerde had ik nu kunnen vertellen welke van de Moguls dit bouwsel oprichtte voor de vrouw die in het kraambed van het veertiende kind overleed. Maar voor mij is het een beetje een 'verplicht nummer' en ik ben dan ook erg blij als ik merk dat er veel Indiase toeristen zijn. Vooral pas-getrouwden zijn goed vertegenwoordigd. Ik krijg in één klap allerlei verschillende gezichten van de Indiase bevolking te zien. Ik vermaak me uitstekend met observeren en spendeer wat tijd aan het fotograveren van het gebouw, maar ik maak vooral portretten van bezoekende mensen. Mijn laarzen hebben bekijks

Ik ben een beetje per ongeluk getuige van de zonsondergang - ik ontmoet toeristen die opzettelijk naar de Taj Mahal zijn gekomen om die in het licht van de ondergaande zon te zien. Het overdag zo blinkend witte marmer krijgt opeens een vriendelijke, haast roze kleur - de moeite waard. Ik moet wel aansluitend in het donker mijn weg de stad uit vinden en dat blijkt niet eenvoudig. En ik rijd weer eens een koffer van de brommer in het dichte verkeer.

De volgende dag kom ik aan in Pushkar. Da's ook weer een heilige stad, India wemelt van de heilige dingen. 50.000 Kamelen is wat overdreven - ik tel er hoogstens 5.000. OK, 10.000 als ik al die stomme beesten die me vandaag in tegengestelde richting in de weg liepen meetel. De kamelen markt blijkt eigenlijk al voorbij. Vorige week hebben vele handelaren al hun zaakjes gedaan en dat waren de kuddes die ik vandaag tegenkwam. Ik heb 500 kilometer gereisd vandaag - de kamelen wandelen die afstand terug. Heel Pushkar is vol van kraampjes waar van alles te koop is: van prullen tot goed voedsel. Het doet me een beetje denken aan de sfeer rond de Nacht van Assen, voor de motorraces op het gelijknamige circuit. Na twee dagen vertrek ik naar het zuiden, naar een park waar de laatste Aziatische leeuwen wonen en door naar een klein eilandje dat Diu heet.

Rijden in India is een zeer gevaarlijke bezigheid. Voor iedereen, maar speciaal voor de kleinere weggebruikers. De regel hier is kennelijk dat de grootste weggebruiker voorrang heeft. En er zijn nogal wat soorten weggebruikers in India. Als het gaat om het gemotoriseerde spul onderscheiden we in volgorde van voorrang: de bussen, de vrachtwagens, de minibusjes, de personenauto's, de riksja's en helemaal als laatste de brommers. Een riksja is zo'n ding van de Sisi reclame, maar dan wat minder fraai in de verf. Het ding heeft één voorwiel en twee door een tweetakt motortje aangedreven achterwielen. Ze worden voor personen vervoer gebruikt, maar meer dan vijf personen kunnen er niet in. Tot een dozijn (schat ik) gaan er in een vergrote versie: een kruising tussen een pick-up truck en een Enfield (diesel!) motorfiets. Erg lelijk en evenveel rook als de kleintjes.

Er zijn ook grote weggebruikers zonder motor die toch altijd voorrang krijgen: de koeien. Ze lopen overal los rond en menigeen moet tot het uiterste remmen als zo'n beest ineens besluit de weg over te steken, Het is verdorie of ze weten dat ze heilig zijn: ze keuren je nog geen blik waardig als je met rokende banden tot stilstand bent gekomen. Nee, dan de apen. Die kijken tenminste uit voordat ze zich op de weg begeven. Ik heb geen idee wat voor soort het is - het zijn, als ze rechtop zitten, ongeveer 50 centimeter hoge beestjes in een zandkleurige vacht. Ze eten de spullen die van vrachtwagens vallen en die uit bussen worden gegooid. Kamelenwagens hebben ook voorrang, vooral omdat ze geen stap harder gaan dan stapvoets. Eigenlijk zijn het rollende wegafzettingen, die tonnen zwaar kunnen zijn door de ernorme vracht die ze op die wagens laden. Levert vast een hoop rommel op als je er tegenaan rijdt.

Honden zijn ook goed vertegenwoordig langs de weg. Vooral dode honden zijn talrijk - kennelijk gaat niemand in de remmen voor de trouwe viervoeters. Rondom de kadavers is het druk tenzij het beest net dood is en nog niet stinkt. De druktemakers zijn raven, kraaien en ... echte gieren. Wel mooi, zo'n grote vogel die midden op straat een dood beest staat open te pikken. Het meest zie ik een witte soort die zo'n 60 centimeter hoog is. De kale kop maakt het helemaal af. En kennelijk zijn de vogels snel genoeg: slechts heel zelden zie ik een doodgereden vogel op de weg.

Er zijn ook veel nog levende honden, vooral rondom concentraties van mensen, hoewel deze gastheren niets anders doen dan met stenen naar de beesten gooien. Ze scharrelen in het vuilnis dat op straat wordt gegooid en hangen rond net buiten de dorpjes. Varkens van het formaat van een wild zwijn concureren met de honden bij het doorzoeken van ons afval. Ook deze varkens komen alleen voor waar mensen in de buurt zijn - middenin de dorpjes. Met ware doodsverachting steken hele groepen, meestal moeder met een aantal biggen, de weg over. Gelukkig is de weg in de dorpjes zs onbegaanbaar door de troep, door het ontbrekende wegdek of de drukte, dat de snelheid van ieder laag genoeg is om slachtoffers onder de varkens te voorkomen.

Ik val in de categorie brommers, maar eigenlijk hoor ik er niet thuis (en dat heeft niets te maken met superioriteits gevoel). Want ik ben veel sneller dan de brommers die soms door drie mensen bereden worden. Ik heb er zelfs één zien rijden met twee mannen erop die twee geiten tussen zich in hadden liggen. Levende, met de poten bijeen gebonden.

De wegen zijn eigenlijk niet gemaakt voor de hoeveelheid verkeer hier. Het is vreselijk druk op de doorgaande routes. En de drukte komt vooral door de enorme hoeveelheid vrachtverkeer. Alle vrachtwagens zijn van hetzelfde merk: Tata. Nou ja, een enkeling is van een ander merk: Ashok Leyland. Maar stokoud zijn ze allemaal en geen van allen verkeren in goede conditie. Scheefgezakte bladvering, voor- en achterwielen niet recht achter elkaar, profielloze banden rondom en ontbrekende verlichting (en signalering). Ze blijven ook regelmatig steken - assen die breken, ontploffende banden, lading die eraf valt.

Er zijn ook zoveel mensen hier! India verwacht de miljardste inwoner rond de eeuwwisseling te verwelkomen. Ik kon me helemaal geen voorstelling maken van een land met zoveel mensen - naief als ik ben dacht ik dat een aantal zeer grote steden het leeuwendeel zouden nemen. Maar hoe raak je een groot deel van 1000 miljoen mensen kwijt in een tiental grote steden? Dat kan helemaal niet - India is vol met steden die gelijk een paar miljoen inwoners hebben. Een 'gehucht' op de kruising van twee doorgaande wegen heeft al snel meer inwoners dan Amsterdam! En al die steden zijn 'vanzelf' ontstaan - niets is door planologen geregeld. Geen rondweg, geen verkeersplan, geen manier om de stad te ontwijken als je er niets te zoeken hebt. Het kostte me tweemaal een uur om Jaipur (1.8 miljoen inwoners) en Ahmedabad (3.6 miljoen stuks) door te komen.

Alles krioelt in de overvolle straten - maar dan ook werkelijk alles. Kraampjes langs de kant met mensen te voet, karren, voortgetrokken door kamelen, paarden, ezels of koeien daarnaast en in het midden van de weg alle andere weggebruikers, incluis de groepjes koeien en de geitenhoeder met kudde. De bussen zig-zaggen van rechts (doorrijden) naar links (passagiers oppikken) en blokkeren regelmatig de hele bende als ze dwars in de straat staan. Iedereen heeft één doel: snel weg uit deze ellende. En dus toetert iedereen erop los. En dringt iedereen voor. En negeert iedereen de aanwijzingen van agenten. En rijden we tegen het verkeer in. Weigeren we achteruit te rijden als een blokkade ontstaat. Het is een verkeertechnisch ongeregeld zooitje, zo'n Indiase stad. Véél mensen

Het geeft een kabaal van jewelste - en het lawaai is het soort vervuiling dat ik nog het minst erg vind. Ik heb er in mijn helm niet veel last van en ik zou mijn oordoppen kunnen dragen. Moeilijker is de rook. De motorriksja's en de brommers zijn de ergste vervuilers, met vrachtwagens als goede tweede en de vuurtjes van de tentjes langs de weg plaatselijk strijdend om diezelfde eerste en tweede plaats. En dan is er het stof dat me telkens in de ogen waait. Over kinderachtige zaken klaag ik wel weer als ik in Europa ben, zoals de onprettige geurtjes die van de afvalhopen afkomen.

Ik doe er wat luchtig over, maar de rook heeft er bijna voor gezorgd dat ik dit land de rug toekeerde. Soms is de dieselwalm uit de vrachtwagens zo dik, dat ik rechterweghelft tijdens het inhalen niet meer kan zien. Een kwartier door een stad rijden geeft het benauwde gevoel dat ik uit mijn rokers-tijd nog ken. Hier wordt het gekoppeld aan tranende ogen en een flinke hoestbui als je halverwege de stad bent. Ik ben toch al geen liefhebber van steden - ik zie er tegen op om door al die 'provincie stadjes' met een paar miljoen mensen te moeten rijden, telkens als ik naar het volgende natuurpark wil.

De wegen buiten de steden zijn tweebaans - voldoende breed om twee vrachtwagens elkaar makkelijk te laten passeren. Indiase vrachtwagens gaan niet van de weg als ze een pechgeval hebben. Ze staan midden op de rijstrook stil en leggen een paar stenen op de weg om aan te geven dat er iets loos is.

Als vrachtwagen- of buschaffeur is het niet prettig om achter een nog tragere voorganger te moeten blijven hangen. Er wordt doorlopend ingehaald. Maar éénmaal op de rechterbaan (we rijden hier links en halen rechts in) blijkt het zicht veel mooier te zijn - bussen gaan niet vanzelf terug naar de linkerstrook. Ook niet als er een bocht in de weg zit - ze zijn het grootst en hebben toch voorrang. Vrachtwagens rijden per definitie half op de rechterijstrook, anders kunnen ze niet langs de overbeladen truck voor hen kijken. Als er een tegenligger aankomt gaan ze soms terug naar hun eigen rijstrook, als de tegenligger 1. groot genoeg is, 2. lang en hard toetert en 3. de 'chicken race' winnaar is.

Ach, in het begin is het wel aardig - ik rijd recht op de vrachtwagen af, ik maak me zo breed mogelijk door iets rechts van het midden van de rijstrook te blijven, ik toeter en geef groot licht als bonus. Sommigen reageren onmiddelijk en gaan terug naar hun eigen strook. Anderen hebben wat meer tijd nodig om te realiseren dat ik veel sneller dichterbij kom dan een brommer en gaan dan terug. Maar er zijn er die de chicken race winnen omdat ze geen kant uitkunnen. Dat soort idioten zet de inhaal poging gewoon door waardoor ik afrijd op twee vrachtwagens die geen van beiden een kant op kunnen. En dus rem ik uit alle macht (vanaf tachtig kilometer per uur - harder is doodlink) en ga ik de berm in.

Het gaat redelijk - ik moet mijn kop er wel erg goed bijhouden - een beetje naar het landschap kijken is levensgevaarlijk. Af en toe stuit ik onverwacht op een gestrande truck, twee mafkezen die naast elkaar door een bocht komen, een ander die gaat inhalen en mij niet ziet of gewoon een lolopende koe. Nee, de lol van het toerend om me heen kijken is verpest - te gevaarlijk. Opschieten is ook niet mogelijk want hard rijden maakt de remweg van de noodstops te lang. (Maar de motor gebruikt nu nog maar 1 liter benzine voor 21 kilometer - er zijn ook voordelen...)

Ik zit me af te vragen hoe vaak dat nu fout gaat en begin te letten op sporen van ongelukken. Het valt me voor het eerst op tussen Jaipur en Agra. Dat stuk van 255 kilometer rijd ik de ene dag heen en de volgende dag weer terug. Ik tel op de terugweg 6 vrachtwagen wrakken, die me op de heenweg niet waren opgevallen. Iedere 40 kilometer een ongeval per 24 uur? Zal toch wel niet? Na mijn bezoek aan Pushkar ga ik echt tellen: ik kom inderdaad aan 1 wrak per 40 kilometer. Ik tel dan alleen de trucks die frontaal tegen elkaar, bomen of obstakels rijden en de vrachtauto's die zijn omgevallen of over de kop zijn geslagen. Die met afgelopen wielen, lekke banden, motorolielekkage enzovoort laat ik weg.

Ik passeer Ahmedabad, op 530 kilometer van Pushkar na 8 uur rijden. Eigenlijk ruimschoots te lang voor één dag rijden in Indiase omstandigheden, maar er zat een heel stuk tussen dat redelijk rustig was en lekker opschoot. Ik wil na de stad doorkruisd te hebben, een hotel zoeken langs de weg. Dat lukt niet, want vlak na Ahmedabad steek ik een gigantische vlakte over die vol met moerassen zit. Er staat gedurende vele kilometers geen enkel gebouw, alleen wat tentjes van het type 'sloppenwijk' waarin thee wordt gekookt op zo'n rokend houtvuur. De weg ligt op een verhoging en af en toe rijden we over bruggen.

Opeens staat het verkeer helemaal stil. Als volleerde verkeers-asociaal rijd ik over de rechterstrook langs de wachtende rij, waarbij ik af en toe tussen de vrachtwagens kruip als er tegenliggers zijn. Na een minuut of vijf ontwaar ik een verkeersagent die voor een hoop verwrongen ijzer staat. De volgende seconde kijk ik recht in de nog van schrik vervulde maar nu levenloze ogen van een verkeersdode. Hij zit rechtop muurvast geklemd in een bestuurders stoel van wat eens een minibusje was. Twee andere lichamen zijn tussen de wrakstukken neergelegd in een verwrongen houding. Afdekken is kennelijk meer iets voor kneusjes uit Europa. De vrachtwagen waar ze frontaal tegenop zijn gereden bekijk ik niet goed om het eventuele doodsmasker van de volgende mis te lopen. Ik slik een keer en relativeer: "Er zijn er nog genoeg over van dat miljard". Daarna denk ik na over hun (Hindoestaanse) vrouwen die vanavond op de hoogte worden gebracht. En de kinderen van de drie vaders. Kinderen, die hun vaders niet als 'slechts één uit de miljard' zien. Mannen, die helemaal niet op reis waren om vanavond te sterven na een misgelopen inhaalactie. "Zoals ikzelf", bedenk ik me, want ik ben ook niet op pad om dood terug te keren.

Het tegenliggende verkeer weet natuurlijk niets méér, dan dat in deze provincie van India zo'n 2000 mensen per jaar omkomen in het verkeer. Da's hooguit statistiek en ze rijden zoals ze altijd doen. Mijn medeliggers, die de doden wel gezien hebben, doen toch dapper mee. Ik verlies iedere verdere chicken race en ben de Hindoe-god verantwoordelijk voor hotels dankbaar als er eindelijk één opduikt. Een beetje leuk rondrijden is hier (voor mij) niet mogelijk en da's waarvoor ik kwam. Ik besluit het natuurreservaat met de leeuwen en het strand in Diu nog te bezoeken en India daarna subiet te verlaten.

De volgende dag verlaat ik Limpdi, nog steeds met een licht shock-gevoel. Ik heb het verhaal van de drie verkeers slachtoffers ter sprake gebracht tijdens het diner met iemand die mij vroeg wat ik ik dacht van de verkeerssituatie in India. De respons: "Ach, we zijn met een miljard..." Ik leg de spreker mijn overdenkingen voor en krijg een meewarige blik als antwoord.

De reis naar het leeuwenreservaat in Sasan Gir leidt me van de 'National Highway' af en geeft me de gelegenheid wat meer om me heen te kijken. Ik ben op weg naar het centrum van dat kleine driehoekige aanhangsel tussen de grote Indiase driehoek-op-z'n-punt en Pakistan. Het is een savanne - hoe dichter ik bij het beschermde Gir Forest kom, hoe ruiger het landschap wordt. Tot mijn verbazing wordt in het beschermde gebied nog wel aan landbouw gedaan - de mensen leven echt temidden van een leeuwen-biotoop. Maar grasland met hier en daar bomen overheerst. Het echt goede nieuws is dat de bevolkingsdichtheid hier drastisch minder is. Er is minder verkeer en er zijn minder wandelaars op de wegen. Ik kan zonder gevaar om me heen kijken. Ik krijg zelfs weer lol in het rijden zonder doorlopend gestressed te zijn.

Ik stijk neer in een kamer van een hotel uit de Taj group - normaal zijn dat verschrikkelijk dure kamers, helemaal voor Indiase begrippen, maar ik krijg een kamer voor een fractie van de prijs. (De hotel manager vindt het prachtig dat ik helemaal vanuit Europa ben komen motorrijden.)

De weinige mensen in het dorpje Sasan lijken in een ander tijdperk te leven. Land wordt hier met de hulp van runderen geploegd, er is op veel plaatsen geen electriciteit en de inwoners zijn wereldvreemd. Velen spreken niet eens de officiële taal van India (Hindi) maar uitsluitend Gujarati. Een vent op een high-tech motorfiets is hier opzienbarend. Ik heb een advertentie met een plaatje van drie BMW motorrijders gezien, in een poging de sigaretten wat glamour te geven. "Rook dit-en-dit merk en je zult ook heel hard rijden op een buitenlandse motorfiets", zo lijkt de boodschap te luiden.

De beelden die men op MTV ziet in de lokale eetgelegenheid blijken echt te bestaan! En direct verdenkt men mij van alle activiteiten die men op MTV te zien krijgt - ik ben zo'n blanke die geen zeden kent en omgaat met halfgeklede vrouwen. Soms wordt ik met openlijke vijandigheid tegemoet getreden.

Telkens als ik me met motor laat zien verzamelt zich een grote groep toeschouwers. Aanvankelijk vind dat wel leuk, maar na een tijdje gaat het opdringerige gevinger aan alle knoppen op de motor me de keel uithangen. Als ik kwaad wordt omdat ze de startmotorknop indrukken terwijl de motor nog draait lacht men een beetje stompzinnig maar ze houden niet op de GPS verder te ontregelen.

De middag besteed ik aan een eerste safari. Met een Japans jeepje met een gids en een paar andere toeristen gaan we op zoek naar leeuwen en ander wild. We rijden door een heuvelachtig landschap dat op plaatsen met alleen gras helemaal open is en even later dicht bebosd is. We krijgen geen leeuw te zien, maar wel talloze herten (het leeuwenvoer). En ik had best een vogelindentificatie boek voor India willen hebben, want ik zie een groot aantal vogels die ik nooit eerder zag. Ook wilde zwijnen en pauwen zijn goed vertegenwoordigd. Apen horen we alleen, ik krijg ze pas de volgende ochtend te zien. Pas als het donker is keer ik terug om getrakteerd te worden op een heerlijke maaltijd in het Taj-hotel.

India is als het gaat om voedsel mijn favoriete land. Ik vind het heerlijk - bijna alles is lekker pittig gekruid en de variatie is enorm. De massala's die ik in Pakistan heb leren kennen blijken hier zeer verschillend te zijn. Mijn probleem is echter, dat ik de helft van de tijd geen flauw idee heb wat ik zit te eten. Ik moet snel een kookboek aanschaffen. Veel van het voedsel is vegetarisch en daarom worden vaak voor mij ongebruikelijke ingrediknten gebruikt zoals noten en rozijnen.

Eten wordt in India zonder bestek naar binnen gewerkt (nou ja, afgezien van sjiekere restaurants). Je krijgt bij het eten een roti: dat kan chappati, nan of nog iets anders zijn - allen variaties op het platte 'brood' dat in een Tandoori oven (of een platte koekenpan) gaar wordt gemaakt. Van je roti trek je met je rechterhand een stukje af en dat doop je in het gerecht dat op je bord ligt. Een stukje vlees (of kaas) kun je ermee oppakken en zodoende krijg je de grotere stukken ook naar binnen. Ik kan het nog niet zo goed als de autochtonen maar ik oefen als ik half de kans krijg tweemaal per dag (ja, mijn gewichtsverlies van de eerste maanden van deze reis is wat minder aan het worden). Het is belangrijk dat je aleen je rechterhand gebruikt - voedsel hanteren met je linker is vies.

Aziatische leeuw Een tweede poging om zeven uur 's ochtends levert me weer geen leeuw op, maar wel een prachtige zonsopgang. Helaas rijden we dezelfde route (in omgekeerde richting), maar dat wordt goedgemaakt door de veel betere gids die veel meer vertelt over wat we te zien krijgen. Na afloop ga ik naar de 'Interpretation Zone' - een groot terrein binnenin het park waar de belangrijkste diersoorten bijeen worden gehouden. Er rijden busjes rond die me naar de rustplaats van een leeuw en leeuwin brengt. Heb ik toch nog een wilde leeuw gezien in zijn eigen biotoop.

De weg naar Diu, een klein eilandje in het uiterste zuiden van Gujarat is slecht, maar gelukkig niet lang. Ik smacht naar strand, zeelucht en de mogelijkheid in een zwembroek rond te lopen. Dat is in Moslim staten ondenkbaar en in India heb ik de kans nog niet gehad. Diu was tot 1961 onder Portugees bestuur (samen met Daman en Goa) en heeft een aparte status. In Punjab en Gujarat wordt geen alcohol verkocht, maar op Diu wel. Ik trakeer mezelf op bier en alweer een heerlijke maaltijd. Ik zal drie dagen op Diu blijven. Maar zwemmen doe ik maar héél even in het niet erg schone water voor het drukke strand.

De weg terug loopt langs Alang. Als zoon van een ex-zeevarende wil ik deze zeeschepensloperij graag bekijken. Men vaart hier schepen, tot en met olietankers, het strand op en haalt ze er uit elkaar. De weg ernaartoe is vol met bedrijfjes die allemaal iets anders verhandelen: wastafels en spiegels, matrassen, diesels, deklampen of teakhout. Het is een waanzinnig gezicht: allerlei spullen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben naast elkaar. De toegang tot de eigenlijke sloopplaats wordt me geweigerd. Ik moet een vergunning hebben die niet op zondag te krijgen is. De man bij de poort zegt zeer expliciete instructies te hebben geen buitenlanders (meer) toe te laten. Hij gaat zelfs niet in op mijn voorstel de zaak met 'bakshees' (een omkoopbedrag) te regelen. "Vergunningen morgenochtend in Bavnagar, 60 kilometer verderop", blijft het vonnis.

Maandag in Bavnagar word ik van het kastje naar de muur gestuurd - na acht telefoontjes en een fax is er om 16:00 uur nog steeds geen toestemming. Ik heb liever dat ze me gelijk vertellen als iets gesloten is en zal blijven. Ik heb wel een Internetcafe gevonden en via e-mail vraag ik Menno of ie twee nieuwe banden en de koppelingshevel naar Goa wil sturen. Ik verlaat India toch maar niet onmiddelijk - een beslissing die ik later ga berouwen.

Ik reis naar Mumbai, de plaats die vroeger Bombay heette. Het is een enorme stad en ik ben drie uur doende het centrum te bereiken. Ik heb dan inmiddels wel de hele stad gezien. Het is een vreemde mengeling van rijk en arm, ontwikkeld versus analfabeet, architectuur en sloppenwijk, zeewind en uitlaatgas. Ik zie auto's die zelfs in Europa veel geld kosten: een Mercedes S-320 glijdt over het oneffen wegdek dat omzoomd is met bedelaars uit de sloppen langs de 'Western Expressway'. Ik laat mensen een kaartje van Mumbai zien met de vraag waar ik ben - ze kunnen niet lezen. Een andere keer krijg ik bruikbare aanwijzingen in perfect Engels. Bruikbaar, want in India zijn alle wegen recht. "Waar is de Gateway to India?", vraag ik en krijg als antwoord steevast "Rechtuit!". Ook als de weg doodloopt op het strand. Als ik het daar nog eens vraag is het antwoord: "Rechtuit daarnaartoe!". Om dat te doen moet ik wel eerst rechtsaf, maar dat "begrijp je toch wel?".

Ik kies een modern hotel met aircondioning want het is hier bloedheet en erg vochtig. Halverwege november en nog steeds 35 graden in de schaduw. Op weg naar Bombay ben ik de kreefts-keerkring overgestoken. Technisch gezien ben ik in de tropen. De woestijnen waar ik in Pakistan zo genoeg van had gekregen zijn nu echt achter me. Sinds Ahmedabad is het groen dichter en dichter geworden. In Mumbai is daar niet veel van te merken - het centrum heeft nauwelijks planten of bomen. Alle ruimte is in gebruik voor verkeer. Ik regel een gids met een auto en laat me vier uur lang de belangrijkste plekken van Mumbai zien. In de serie "Het huis van ..." bezoek ik de plek waar Ghandi heeft gewoond. Het "red light" district wordt niet vergeten, maar het kost me moeite het als zodanig te herkennen. Ik zie slechts krotten waar de bewoners in deuropeningen staan. Straatbeeld Mumbai

Ik rijd in één ruk naar Goa. Mooie weg, weinig verkeer, beetje heuvelachtig, wat bergpasjes, veel groen - ik heb een uitstekende dag. Ik vergis me halverwege wel in de hoogte van een drempel en de drager van de rechterkoffer breekt af. Met een nylon band kan ik de zaak weer aan de motor krijgen en ik kom na zonsondergang op een vrijdagavond aan in Baga, Goa. De zaterdag vind ik een smit de drager wel wil namaken, maar pas maandag tijd heeft. Ik spreek af dat ik, nadat ik mijn banden van het vliegveld heb gehaald, weer langs zal komen om de drager aan de motor te zetten. De koffer en het gebroken deel laat ik achter. De rest van het weekend zit ik op het strand.

Dat strand heeft niks met India te maken. Strandtenten die heel treffend 'shacks' worden genoemd waaruit harde muziek en bier vloeit. Op het strand staan talloze Coca-Cola parasols en ligstoelen met Engelsen die aan het eind van de dag rood als kreeften zijn. Ik blijf uit de zon en geniet met volle teugen van muziek van Santana uit een CD speler die op 'oneindig replay' staat. Een toilet ontbreekt: er is een aantal rietmatten overeind gezet waartussen je enigzins uit het zicht bent. Achter het toilet is de vuilnishoop. Op het strand lopen badgasten, maar ook een paar koeien te scharrelen - in zeker opzicht is het wél India. De calamari, de garnalen en de soep smaken me uitstekend.

Er wacht me een lelijke verassing in het Internetcafé op maandagochtend: de banden zijn nog in Nederland, want de ANWB kon ze bij nader inzien toch niet naar Goa sturen. Ik moet terug naar Mumbai. Menno laat ze alsnog naar Mumbai sturen.

Ik ga naar de smit die een nieuwe drager voor de rechterkoffer aan het lassen is. Ik word er benaderd door een wat louche man die zegt ook een BMW te hebben. Een 100GS. Hij heeft inderdaad een 100GS in de tuin staan - de stroomregelaar is kapot. Er moet een monteur uit Mumbai komen: "Johnnie Motorbike" heet de BMW-man. In de woonkamer staat een verschrikkelijk dure stereo, een beeldbeeld TV en mooi meubilair. De man is kennelijk rijk. Moet ook wel als je een BMW motorfiets in India wilt rijden. De invoerrechten belopen 150% van de waarde van het voertuig. En dan zie ik de kolf van een vuurwapen tussen de kussens van het bankstel. En daarnaast het handvat van een groot mes. Ik neem het telefoonnummer van Johnnie Motorbike nog in ontvangst maar sla het aanbod vanavond wat langer langs te komen beleefd af.

Daarna ben ik eigenlijk wel klaar in het door toeristen bevolkte Baga (afgezien van wat onbeantwoorde e-mail) en ik verhuis naar Arambol in het noorden van Goa. Goa is jarenlang door (verlopen) hippies gebruikt als plek om de Kerst door te komen. Vroeger was dat Calangula en het door mij bezochte Baga, dat nu vol zit met respectabele toeristen die per charter worden aangevoerd. De 'scene' is verplaatst naar rustiger oorden - Arambol is er één van.

Ik rijd maar gewoon wat rond en tref een guesthouse-villa aan. De eigenaar lijkt me helemaal niet de man die deze met oog voor detail gedecoreerde villa heeft ingericht. Ik vraag dus naar de vrouw des huizes, want ik voel heel sterk dat een vrouw met veel liefde deze woning heeft ingericht. Het wordt een lang verhaal over een ongelukkige liefde voor een Finse vrouw die deze man uiteindelijk aan de dijk heeft gezet. Een beetje weemoedig is ie achtergebleven en probeert de glorie van de villa in stand te houden en de kamers te verhuren.

Maar we zijn in Goa - de hippie hang-out van weleer. En sommige dingen veranderen nooit: de reizende jongeman die voor de villa-eigenaar werkt om zijn reiskas wat te spekken is omgeven met geur van hash. Later vertelt de eigenaar me dat hij het drugsgebruik veracht, maar dat er in Goa niet aan te ontkomen is - anders blijven de gasten weg. Die nacht kijken we met z'n allen vanaf het dak naar de meteorietenstorm die in dit deel van de wereld deze nacht goed zichtbaar is. Ik zie inderdaad een groot aantal 'vallende sterren' - de rest is zo stoned en dronken dat ze zich de conversatie van de nacht niet eens kunnen herinneren.

Strand nabij Goa De villa ligt werkelijk prachtig. Slechts vijftig meter achter de duinenrand die toegang geeft tot een groot verlaten strand. De palmbomen groeien tot aan de laatste duinenrij. De vissers zijn om half acht 's ochtends al terug en hebben behoorlijk wat makreel in hun drijfnet. Bijvangst is onder meer een kleine haaiensoort. Ik wandel zo'n tien kilometer over het strand en kom slechts een handvol mensen tegen. Ik ga zelfs geheel ongekleed te water. En dat was precies wat ik na vier maanden Moslims even nodig had.

(volgende keer verder)