terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering

Solo van België naar Australië op een BMW R1100 GS motorfiets.

Zeventiende verslag (tweede deel) - 27 januari t/m 9 maart 1999...

Pattaya

De rit van Koh Chang naar Pattaya start wat laat omdat ik het bord met de vaartijden van de ferry terug naar het vasteland verkeerd begrepen heb. Ik wacht een uur, terwijl de temperatuur vlot oploopt. Gisteren werd mijn poging de thermometer opnieuw aan de motor te bevestigen verstoord door een tropische bui. Ik heb nu geen geluk: vandaag is het warm en de lucht is staalblauw. (Ik vind het wel prettig als het regent op reisdagen, omdat het de temperatuur iets drukt.)

Toen ik nog maar pas in Thailand was viel me al op dat de wegen er Amerikaans uitzien. Je kent dat gevoel wel: Je rijdt nabij Arnhem Duitsland in. Het landschap is hetzelfde als de kilometers die achter je liggen, het is dezelfde rivier maar toch is er iets 'anders'. Een bordje dat aangeeft dat je 50 kilometer per uur mag ziet er nét iets anders uit. Welnu, Thailand lijkt goed af te kijken bij de Amerikanen. De strepen op de wegen zijn gemaakt van gele verf die uit een fabriek van 3M lijkt te komen, te oordelen naar de manier waarop het reflecteert. De waarschuwings borden zijn een geel vierkant-op-z'n-punt, net zoals in de Verenigde Staten.

Er zijn meer dingen die herinneren aan Amerika. De manier waarop de wetgevende macht is gestructureerd vertoont overeenkomsten. (Ze zijn zelfs bezig met hun eigen 'impeachment' van een aantal leden van de senaat wegens corruptie en zullen binnenkort overgaan tot het bepalen van de strafmaat ('censure')) Onderweg naar Pattaya begint het langzaam te dagen waar die banden met de overzeese vrienden liggen. Het zijn de jarenlange bezoeken die militairen brengen aan Thailand. Was dit land niet één gigantische basis tijdens de Vietnam oorlog? Ik kom langs een marine haven van enorme omvang. Er zijn hele woonwijken vol met Amerikaanse families van marine personeel. Ik zie de auto's die we in Soesterberg jarenlang hebben gezien. De bestuurders hebben van die typische crew-cut kapsels boven getrainde brede schouders.

's Avonds in Pattaya zie ik nog veel meer soldaten. Maar die hebben waarschijnlijk geen gezinnen thuis zitten, want ze laten zich 'entertainen' door de vele, vele schaarsgeklede Thaise dames die aanvankelijk alleen je glas bier komen aanreiken. Als je niet heel vlot duidelijk maakt waarvoor je bent gekomen dan zitten ze op je schoot voordat het bier warm is geworden. Uit iedere bar klinkt veel te luide muziek - een gesprek is onmogelijk. Maar daar komt ook niemand voor: ik ben in de sex-hoofdstad van de wereld. Na een biertje of wat heb ik het wel gezien. Ik ga op zoek naar de 'originele' bewoners van Pattaya, om te kijken of een maaltijd kan vinden. Ik tref ze aan op een marktplein.

Ken je van die momenten waarin je je afvraagt waar je nu weer bent terechtgekomen? Een deel van de markt is overdekt met een ruw gebouwd dak van golfplaten. Eronder staan pooltafels waaraan het spel volgens de Amerikaanse regels wordt gespeeld. Onder de tafels slapen de straathonden, die af en toe ruzie met elkaar maken over de beste plaatsjes. Naast de biljarters is een keuken ingericht, de pan voor de gebakken rijst staat in de open lucht. Een grote ventilator is vrij opgehangen aan de balken van het golfplatendak. De luchtstroom zou de kookluchtjes (en de steekvlammen van de enorme wok) weg moeten houden van ruimte onder de golfplaten. Het lukt maar matig - het ruikt heerlijk naar vers voedsel. Hier ga ik eten.

Ik kies een tafeltje dat uit de luchtstroom van de vet verspreidende ventilator ligt. Daardoor zit ik wel bijna aan de straat, waarop het verkeer gewoon doorrijdt. Een Honda CBR 400 motorfiets scheurt veel te hard en met veel kabaal voorbij. De motorfiets volgend wordt mijn aandacht gevestigd op een karretje waarop een bordje staat: "Photo 2 baht". Ik ga eerst maar eens kijken in de keuken, waar twee vrouwen routineus voedsel staan klaar te maken. Ik ontwaar een vis die me wel wat lijkt, met gember bijvoorbeeld. Ik wijs de gember aan op het hakblok en met handen en voeten maken we elkaar duidelijk wat we bedoelen.

Ik vind dit soort eetgelegenheden prachtig. Ja, ik weet wel dat ik vandaag of morgen ziek ga worden. Koelkasten hebben we hier niet, de vis ligt gewoon op een tafeltje. Maar ik ben op bezoek in een tropisch land waar een _verse_ kip synoniem is met _levende_ kip. Niemand verkoopt hier geslachte kippen. Een krab wordt vastgebonden, anders loopt ie weg. De inwoners eten ook in dit soort gelegenheden; dat doen ze vast niet als je er telkens ziek van wordt. De vis waarop ik mijn zinnen heb gezet is kakelvers. Er wordt een heerlijke maaltijd uit bereid die ik weer met smaak opeet.

Het bord met de prijs voor een foto blijkt bovenop één van de karretjes met koopwaar te staan. Nadere inspectie onthult een grote berg insecten. Grote, kakkerlak-achtige beesten, sprinkhanen en nog wat larven en maden die allemaal gefrituurd zijn. Farangs kopen er niet, maar fotograveren wel. Vandaar dat je ervoor moet betalen. Het is donker en ik verwacht niet dat een foto goed zal lukken. En insecten eten lijkt me helemaal niks.

Na een goede nachtrust in een hotel dat een eindje verwijderd is van het lawaai ga ik mijn ontbijt proberen te regelen langs het strand. Pattaya is één grote badplaats en wordt gedomineerd door een boulevard die langs het strand loopt. Alles wat een gemiddelde farang-op-vakantie leuk vindt is er te vinden. De bars zijn nu wat minder luidruchtig, sommige zijn zelfs dicht. Alle souvenir winkeltjes zijn open - verschillende rood-verbrande toeristen zijn aan het winkelen. Ik kan geen noodle-soep vinden (mijn normale Thaise ontbijt) en val voor de kip van Colonel Sanders (van KFC). Hoewel, die wordt hier geserveerd in een pittige variant, aangepast voor de Aziatische markt.

Ook overdag draait de sex industrie gewoon door. Het lijkt wel of alle westerse mannen met een vlekje hier neerstrijken om zich te koesteren in het gezelschap van aantrekkelijke Aziatische dames. Ik voel me haast opgelaten alleen rond te lopen, want ik zie er natuurlijk ook uit als een loslopende farang. En er zijn er veel. Ik ontwaar vele Duits-uitziende dikke buiken in korte broeken die getorst worden door witte, dunne beentjes. Kalende mannen die na hun scheiding hun toevlucht nemen tot de gewillige dames in Thailand. 'Kerels' met twee tattoeages teveel op hun bovenarmen en mannen die hier een Harley Davidson huren in een poging hun mannelijkheid wat te ondersteunen. Toen ik gisteren tijdens mijn verkenningstocht ergens in het strand-zand terechtkwam ging zo'n vent op zijn Harley nog even lekker onderuit - hij had de machine in de verkeerde versnelling...

Ik pas me aan: ik ga een paar uur op het strand zitten, als een echte toerist. Maar aan het lezen van de krant, de Bangkok Post, kom ik niet toe. Een wat oudere dame masseert de badgasten en lijkt haar vak te verstaan. Bovendien zal het haar niet meevallen de massage te laten ontaarden in de zaken die hier in de bordelen worden gedaan - we zijn immers temidden van zonaanbiddende mensen. Ze kan het inderdaad erg goed - gedurende een uur word ik heerlijk gemasseerd, zonder dat ik avances hoef af te weren. De vrouw woont tien kilometer ten noorden van Pattaya. Sinds de economische crisis is ze werkloos en masseert nu mensen op het strand. Eigenlijk bevalt het haar best - ik ben onder de indruk van de mentaliteit van de Thailanders. De werklozen hangen niet een beetje rond, maar ondernemen iets. Van massage tot noodle-soep karretje: dit land is vol met vindingrijke, actieve mensen.

In de ligstoelen naast me zijn een drietal heren en twee Thaise dames neergestreken. Ze komen uit Rotterdam, vallen in de categorie 'na de scheiding' en zijn dusdanig onder de indruk van hun vrouwelijk gezelschap dat ze aan een plan werken om de dames in kwestie mee te nemen naar Nederland. "De vrouwen in het vaderland zijn niet zo aardig als deze dames", zegt één van hen, terwijl hij al een uur lang liefdevol wordt gemasseerd door de Thaise. "Deze stellen geen vragen en zijn nog beter in bed ook", zo wordt me verteld. Het zijn aardige gasten, de Rotterdammers, maar ik heb moeite met hun mentaliteit. Misschien waren ze getrouwd met vrouwen die echt niet deugden en vinden ze hier het geluk dat ze in Europa niet hebben gekend. De dames geloven dat ze steenrijke westerlingen aan de haak hebben. Voor een Thaise is een verhuizing naar Europa zoiets als een lot uit de loterij. Ik hoop dat de Rotterdamse heren woord houden en het vertrouwen van de vrouwen niet misbruiken.

Bangkok

Van Pattaya naar Bangkok is slechts drie uren rijden, maar dan ben je nog niet in de stad. Dat duurt behoorlijk langer, zelfs als je beschikt over GPS en niet hoeft te navigeren vanaf een kaart in de tanktas. Ik vind mijn weg gemakkelijk en ik word verder gesterkt in mijn overtuiging dat de verkeersproblematiek van Bangkok best meevalt. Wachten tussen alle andere twee-takt brommertjes voor een verkeerlicht is inderdaad een aanslag op mijn longen. Maar ik heb al veel erger meegemaakt. Bovendien is menin Bangkok overal wegen op verhogingen aan het bouwen, meestal door Thais-Duitse joint-ventures. De snelheid is er een beetje uit door de economische crisis. Ik zie de oplossing van het verkeersprobleem echter naderbij komen. Hoewel, niet voor mij, want de meeste wegen zijn tolwegen en daar mag ik niet op met mijn motorfiets.

Omdat het nog redelijk vroeg is ga ik eerst naar de BMW importeur om mijn nieuwe accu op te halen. Ik bouw 'm eigenhandig in en ik maak nogmaals gebruik van de synchronisatie apparatuur. De afregeling verloopt nu wat soepeler, 6000 kilometer goede benzine heeft zijn effect gehad. We halen de voorwiel ophanging ook uit elkaar om te zien wat er mis is. Eén van de voorvork poten is verbogen, de andere zal dat ook wel zijn - die haal ik niet uit elkaar. Het lager op het balhoofd is ook niet in orde. Geen van de onderdelen zijn op voorraad en ik heb geen tijd om te wachten. Ik moet Thailand voor 3 februari verlaten, en da's nog tenminste drie dagen rijden. We zetten de zaak weer elkaar en ik ga maar weer naar mijn favoriete hotel op Sukhumvit, dit keer voor de laatste keer.

Ik ben nu voor de derde keer in dit hotel in Bangkok - ze herkennen me nu ook. Bij ieder bezoek heb ik me voorgenomen om de dingen te doen die alle toeristen doen: een eindje varen op de rivier die Bangkok doorsnijdt, de drijvende markt bezoeken enzovoort. Maar ook deze derde en laatste keer heb ik er weer geen zin in. Ter compensatie rijdt ik naar Kanchanaburi. In deze plaats ligt een spoorlijn die nogal wat mensenlevens heeft gekost en 'beroemd' is geworden nadat er over deze Birma-spoorlijn een film is gemaakt: "The bridge over the river Kwai". De houten brug is inmiddels vervangen door een gelijkvormig exemplaar van beton en staal. De grootte valt me tegen; misschien omdat ik de film nooit heb gezien. Na een pauze van een uurtje en vijf maal het gebruikelijke gesprek met de andere bezoekers van de brug ga ik naar het zuiden. ("Uit België? De motor naar Bangkok per boot? Wat? Komen rijden?!? Hoe lang al? Veel problemen, zeker?") Ik kom in de avond aan in Hua Hin, een plaats die aan de oostkust ligt. Het strand nabij mijn budget-guesthouse valt me tegen. Maar ik kom ook niet voor het strand - morgen ga ik al weer verder.

Menno zal 11 februari aankomen op Phuket. Het is dan Nieuwjaar. Chinees nieuwjaar. Velen uit de regio (Taiwan, Hong Kong, Singapore, Maleisië) zullen een week lang vakantie komen vieren. Algemeen wordt verwacht dat accomodatie een probleem zal zijn - Menno heeft inderdaad hemel en aarde moeten bewegen een ticket te bemachtigen. Hoewel het al 1 februari is, rijd ik toch zo'n 200 kilometer om teneinde even op Phuket poolshoogte te kunnen nemen.

Het landschap nabij Kanchanaburi wordt gedomineerd door akkers met een gewas dat ik niet herken. Er groeien knollen aan, die in vrachtwagens naar fabrieken worden gereden, waar ze gekookt worden. Het stinkt behoorlijk en het landschap is eentonig. Langs de kust is het de visserij en wat gemengde akkerbouw. Ten zuiden van Hua Hin wordt Thailand heel erg smal: slechts tien kilometer breed van de oostkust tot de grens met Birma. De grens is een natuurlijke: ik rijd over de strip land tussen de Zuid-Chinese Zee en een bergrug die op de grens ligt. Ten zuiden van de land-engte steek ik de bergrug over om van de oost- naar de westkust te rijden. Opzettelijk kies ik een secundaire weg - vanaf Bangkok rijd ik over brede tweebaans of zelfs over vierbaanswegen en dat begint te vervelen.

In de heuvels is het landschap weinig gecultiveerd: hier zie ik opnieuw de ondoordringbare groene wand van de mij omringende jungle. Maar aan de westkust aangekomen is het alweer over met de pret: hier beginnen de rubberplantages. De in keurig carré opgestelde bomen staan in kilometerslange plantages. Onderaan de bomen zie ik de typische inkervingen met een klein zwart bakje om de rubbermelk in op te vangen. Hier in Zuid-Thailand tref ik de eerste tekenen van Moslim bevolking aan. Bordjes die Moskeën aankondigen voor die reizigers die zich ook onderweg houden aan het vijfmaal daags bidden regime, bordjes die worden afgewisseld met torentjes met grote luidsprekers. Er valt me nog iets op: de rommel rondom de woningen. In het noorden hebben huizen tuinen, die goed verzorgd worden. Afval wordt er afgevoerd, maar niet hier in het zuiden. Rommel, ook huisvuil, ligt naast de huizen. Planten als decoratie ontbreken - het is slechts een houten keet op palen in plaats van een woning. Zou het iets zijn dat aan de Islam gekoppeld is?

Ik bereik Phuket aan het eind van de middag en ik begin onmiddelijk met een inventarisatie van de duik mogelijkheden. Menno wil immers een duik-brevet halen. Phuket is na het Thaise platteland een hele schok. Het wemelt van de farangs en de grote witte hotels die daarbij schijnen te horen. Grote motoren zijn ook hier, zoals in Pattaya, overal te huur. Ik struikel over de Honda FireBlades compleet met lawaaipijpen. Patong Beach is de plek waar alle feestneuzen de nachten dansend en drinkend doorbrengen. Ik rijd wat rond op het eiland en kies Karon Beach als de plek voor Menno's vakantie. Accomodatie is nu al een probleem - na acht volle hotels en guesthouses vind ik een slecht bed voor veel te veel geld. Maar ik heb afspraken gemaakt voor volgende drie weken in een guesthouse dat er beter dan de rest uitziet. Overmorgen of de dag erna zal ik terugkomen, nadat ik in Maleisië een stempel in mijn paspoort heb laten zetten.

De reis begint erg vroeg, want ik wil proberen de grens te bereiken, voordat het 3 februari is geworden. Het landschap net ten zuiden van Phuket heeft 'rare' bergen. Het landschap is redelijk vlak, met hele grote rotsen die haast loodrecht omhoog steken. De wanden van deze kolommen zijn zo steil dat er niets op groeit - begroeiing is voorbehouden aan de platte toppen die helemaal bedekt zijn met onbereikbaar en ontoegankelijk groen. Deze pukkels in het landschap houden niet op waar de zee begint. In de zee is het helemaal een vreemd gezicht: hier vormen de verticale kolossen ontoegankelijke eilanden. Behalve voor James Bond, natuurlijk. In één van de films van 007 heeft een slechterik een enorme satellietschotel bovenop een uitgehold eiland gebouwd. Het hele eiland ontploft aan het eind van de film, zoals dat hoort in een Bond film. De lokalen noemen het eiland nu 'James Bond Island'.

Daarna is de omgeving opnieuw vol met rubberbomen, afgezien van de oversteek van dezelfde bergrug die weer meer authentieke vegetatie te bieden heeft. Ik bereik de grens ruim vóór de geplande tijd: vanaf Phattalung tot aan de grens maak ik gebruik van splinternieuwe vierbaanswegen, compleet met vluchtstrook waarover alle brommers rijden.

Ik verwacht een hele lange procedure aan de grens - in Bangkok ben ik niet minder dan één hele dag onprettig beziggehouden. En het begint gelijk goed: veel gezucht en gesteun als ik mijn Carnet de Passage tevoorschijn haal. Wat blijkt? De procedure is _afgeschaft_. Dat weten ze in Bangkok nog niet en nu moeten deze mensen extra papierwerk verzetten om de vergissing ongedaan te maken. Ik krijg mijn stempels echter snel. Daarna naar de Maleisische kant, waar men kennelijk gewend is aan 'omkeertoeristen'. De motor invoeren laten ze maar zitten; vijf minuten later sta ik weer bij de Thailanders aan de poort. De invoer gaat hier per computer, de opgegeven waarde van de motor daalt van 500.000 naar 300.000; ik hoef verder geen moeilijke dingen te doen of te ondertekenen. Helemaal confuus stap ik weer op de motor, terug naar het noorden.

De terugreis verloopt ook voorspoedig, totdat...

Het ongeval

Ik bereik het dorpje Thamod, zo'n dertig kilometer ten zuiden van Phattalung, om half vijf. Juist als ik het enige kruispunt voorbij ben in dit gehucht steken drie mannen en een oude vrouw de weg over. Ik toeter: de mannen lopen snel naar de overkant maar de vrouw blijft stokstijf staan. Ik wijk uit naar rechts (we rijden hier aan de linkerkant van de weg) en rem hard. Opeens besluit de vrouw ook de weg over te steken. Ik trek de hele motor om in een poging zover als mogelijk naar rechts te komen, uit het pad van de vrouw. Ze loopt gewoon door, precies tegen de motor aan.

De linker handkap van mijn stuur komt tegen haar hoofd en de richtingaanwijzer raakt haar ribben. Met een enorme smak belandt ze op het asfalt. Ik ben zelf niet eens gevallen, alleen bijna in de berm terechtgekomen. Snel zet ik de motor op de standaard en poog een ambulance te regelen. Het slachtoffer heeft een grote hoofdwond maar is bij kennis. Ze is gekleed zoals de mensen die in de rijstvelden werken: een tot op de draad versleten shirt boven een lap stof die als rok om haar middel gewikkeld is. Haar verweerde gezicht heeft een een paar zachte ogen die mij vragend aankijken. Er gebeurd niets, niemand loopt weg om te telefoneren. Ik zoek mijn GSM telefoon terwijl ik ten einde raad ben. Niemand doet iets - ze staan alleen maar te kijken. Ik ga middenop de weg staan zwaaien om te voorkomen dat het aanstormende verkeer over de gewonde vrouw (en mij) heenrijdt. Na wat een hele lange tijd lijkt, gaan er wat mensen het verkeer regelen.

Ik probeer uit te vinden wat het lokale alarmnummer is, als aan de overkant van de weg een pick-up truck stopt. Een aantal omstanders beginnen te roepen dat ze daarmee naar het ziekenhuis kan. We tillen haar in de open laadbak - geen brancard, geen deken. De man die me helpt de broodmagere vrouw over de rand te tillen wil haar op haar rug leggen, maar ik maak duidelijk dat een stabiele zijligging beter is in geval ze toch nog buiten bewustzijn raakt of gaat overgeven. Het vrachtwagentje rijdt weg - ik hoop maar dat ze geen letsel heeft dat verergerd wordt in de stug-geveerde laadbak. Kennelijk is het gewoon gewonden in de laadbak af te voeren.

Ik wacht op de politie; ik heb na deze vijf weken Thailand niet de indruk dat er zodadelijk een menigte opduikt die mijn hersens gaat inslaan. In India was ik allang een heel eind weggeweest. Ik heb twee verhalen gehoord, waarvan één uit de eerste hand, over lynch pogingen door omstanders. Eén gaat over een Oostenrijks paar in een Mercedes busje dat een kind aanreed. Hen werd door een paar van hun Indiase omstanders aangeraden snel te verdwijnen, omdat blijven erg gevaarlijk zou zijn. Beiden waren nog immer (drie maanden na dato en terug in Istanbul) niet in het reine met henzelf over wat ze gedaan hadden. Bovendien weten ze niet hoe het met het kind afgelopen is. Het tweede geval (van horen-zeggen) gaat over een Europese arts die na een ongeval waarmee hijzelf niets te maken had, te hulp schoot. Hij moest rennen voor zijn leven, omdat de omstanders hadden besloten dat hij de dader was. Ik blijf, omdat me dat als geciviliseerde reiziger in een redelijk fatsoenlijk land de aangewezen weg lijkt.

De drie mannen, die de overkant wel hebben gehaald, verspreiden een sterke dranklucht. Meer en meer mensen verzamelen zich rondom de motor. Vlak erna komt de politie en die begint onmiddelijk aan het documenteren en meten. De menigte wordt weggestuurd. Ik zet de verdraaide handkap weer recht en zoek de stukken van de afgebroken richtingaanwijzer bijeen. Ik word gevraagd mee te komen naar het bureau om een verklaring af te leggen. Een paar agenten kijken naar mijn motor maar besluiten dat die te groot voor hen is. Ik rijd zelf naar het bureau. Ik zoek contact met het ziekenhuis en de arts stelt me gerust - het lijkt mee te vallen, al is het onderzoek nog niet helemaal klaar. De arts constateert ook bij de (78 jarige) vrouw een sterke dranklucht.

De agenten spreken geen van allen Engels. Met gebarentaal en met mijn talengidsje wordt me duidelijk gemaakt dat ik hier moet wachten totdat duidelijk wordt hoe het met de vrouw is gesteld. Dat was ik toch al van plan - ik verwacht dat ze wel wat (financiële) hulp kan gebruiken, de komende dagen. Er worden geen aanstalten gemaakt met mijn verklaring - ik moet wachten. Na een paar uur vraagt iemand of ik iets wil eten. Ik ben dusdanig geschokt door de gebeurtenissen dat eten zo ongeveer mijn laatste wens is.

Er komt een man langs die een beetje Engels spreekt. Hij is een docent, maar als ik van hem Engels zou moeten leren dan zou niemand me verstaan. Hij brabbelt wat over paspoorten, motorsleutels en ambassade. De ambassade is dicht en de Engels-sprekende 'tourist police' die ik al gebeld had kan me niet helpen. De politie wil mijn paspoort en motorsleutels hebben - ik geef hen van beiden één. Mijn reservesleutels en tweede paspoort houd ik in mijn zakken. De agenten slagen er zelfs niet in de motor van de standaard te krijgen en ik zet de machine zelf onder een soort afdak. De verklaring wordt nog steeds niet opgenomen maar dat vind ik niet erg. Met de 'hulp' van deze Engelse leraar wordt dat toch niets. De docent vertrekt weer. Wat later heeft iemand in de talengids het woord voor 'slapen' gevonden en wordt ik 'uitgenodigd' vannacht te blijven. Het is pas acht uur en mijn hoofd staat ook niet naar slapen.

Het politiebureau is klein. Beneden is een klein portaaltje dat uitkomt op drie vertrekken. Er staat een bureau in met een agent die van alles opschrijft in een soort logboek. Er staan een paar stoelen waarin ik de eerste paar uren wacht. Boven zijn nog drie ruimten en de politiecellen. Buiten zijn betegelde betonnen bankjes waar ik ook een paar uur zoekbreng. Niemand spreekt Engels, maar iedereen wil met de farang praten. Als kakkerlakken lijken de mensen overal vandaan te komen. Ik voel me als een kermisattractie: vele dorpelingen komen langs om 'met me te praten'. Er wordt veel gelachen en het gesprek gaat voordurend over mij, mijn motorfiets en het ongeval. Ik zet het motor-alarm maar af, want iedereen wil op de motor zitten. Ik verwacht alle good-will die ik kan kweken nodig te hebben en verzet me er niet tegen.

Sommige agenten hebben een uniform aan, anderen komen in een trainingspak of gewone burgerkledij. De uniformen hebben kleine onderlinge verschillen. De schoenen, de broekriem en het wapen zijn bijna nooit gelijk. Eén agent heeft een enorme Colt 45 op zijn heup bungelen, de meeste anderen een 9mm Luger of een .345 Magnum. Pistolen zijn net als motorfietsen verlengstukken van de gebruikers' mannelijkheid, nietwaar? Maar om de hele broekriem vol te hangen met kogels gaat me wel wat ver. Nadere bestudering van de kogels leert me dat sommigen de projectielen zelf wijzigen. Ik zie dum-dum en hollow-point modificaties - in onze contreien strikt verboden. De binnenkant van de hakken zijn veelal beslagen met een bol stukje ijzer. Als je salueert kun je dan lekker met de hakken tegen elkaar slaan. Sinds '40-'45 is dat in heel Europa 'not-done', maar hier is het mode. Eén heeft de schroefjes niet helemaal aangedraaid, waardoor de metalen plaatjes bij iedere stap een rammelend geluid maken.

Door de wijze waarop er (om mij) gelachen wordt, de glundering van sommige agenten bij het machtsgevoel dat ze ontlenen aan het vangen van een farang en de 'gesprekken' met bezoekers die mijn taal niet spreken, voel ik me per seconde onprettiger. Opeens lijkt een bed niet zo slecht - ik ben dan in ieder geval van al deze aandacht af. Men heeft een bed voor me, in een kamer met aircondioning, zelfs. Het is de kamer van de telegrafist. De man, die doorlopend grapjes (die kennelijk over mij gaan) uitwisselt met de andere agenten, loopt in- en uit als ik ben gaan liggen (ik heb alleen mijn laarzen uitgetrokken). Ik houd het er maar op, dat hij opgetogen is dat hij vannacht een farang te gast heeft, hoewel ik aan de lichaamstaal kan zien dat sommige grapjes een homosexuele inslag hebben. Soms reageert ie op de radioberichten en neemt ie de telefoon op. Na een wat langere dan gemiddelde pauze komt ie terug. Hij heeft een handdoek om zijn middel - z'n uniform is uit.

Ik doe alsof ik slaap in de hoop dat iedereen me met rust laat. Ik heb vanavond veel dingen te overdenken. Ik maak me ernstig zorgen over de vrouw en ik ben ongerust over de wijze waarop de zaken bij de politie verlopen. "Morgen zie ik wel wat er gebeurt", denk ik, terwijl ik tussen mijn oogleden door de agent bespied. Hij heeft zich juist gewassen en voorziet zijn oksels van een flinke laag talkpoeder bij wijze van deodorant (het is baby-poeder van Johnson's and Johnson's - ik herken de geur). Hij kijkt steels een keer in mijn richting - ik sluit mijn ogen tijdelijk. Als ik ze weer open is ook de handdoek af en staat de man zijn genitaliën van poeder te voorzien. Vervolgens kleedt mijn bewaker zich in een trainingspak, de poeder in zijn schaamhaar masserend. Ik krijg een por en vervolgens stapt de telegrafist bij mij in bed!

Een tijdje vrees ik het ergst, maar godzijdank blijven sexuele avances uit. De politieradio blijft aan - mijn slapie heeft immers dienst. Om ongeveer tien uur gaat de telefoon. De vrouw is in het ziekenhuis overleden. Mijn bedgenoot verkneukelt zich zichbaar over de nieuwe situatie en blijft zijn kennis van de Engelse taal demonstreren: "Not good fol you, vely bad, vely bad"... Na middernacht neemt het radioverkeer snel af en slaag ik erin drie uur lang te slapen. Om zeker te weten dat ik daarna echt geen oog meer dichtdoe begint de man in mijn éénpersoonsbed verschrikkelijk te snurken.

De volgende dag komt er een lerares Engels die me helpt bij het afgeven van verklaringen. Nipaporn spreekt goed Engels en heeft haar beste student en een hele stapel woordenboeken meegebracht. Ik ben opgelucht - ik kan nu tenminste mijn verhaal vertellen zodat de verklaring kan worden opgenomen. Ik hoop vanmiddag weer op weg te zijn. Nipaporn helpt me een brief in het Thais te schrijven waarin ik mijn medeleven betuig aan de familie van de overleden vrouw.

Ik zoek contact met de Nederlandse ambassade in Bangkok en die verwijzen me naar een advocaat. Meneer Puttri spreekt nog beter Engels dan Nipaporn en al snel hebben we een methode te pakken: mijn verhaal wordt genoteerd in de Thaise taal en daarna door Nipaporn voor mij vertaald. Ik moet hard leunen op de agenten om wijzigingen uitgevoerd te krijgen, want veel respect hebben ze niet voor mijn vrouwelijke tolk. Daarna leest Nipaporn de in Thais opgestelde verklaring voor aan de advocaat. Wat ben ik blij dat mijn GSM telefoon hier werkt; als dat niet geval was geweest dan had ik geen van de verklaringen durven tekenen. De telefoon van het bureau kan alleen voor lokaal verkeer gebruikt worden. Interlokale telefoontjes gaan via de muntautomaat in het portaaltje, ook voor de agenten.

Grote problemen en geldzaken

Nu wordt me duidelijk in welk parket ik ben geraakt: één van de formulieren is de tenlastelegging. Ik word verdacht van dood door schuld (death by negligence). Advocaat Puttri, die mij alleen maar als telefoonstem kent, doet geen moeite me gerust te stellen. De strafmaat is minimaal één jaar en maximaal tien jaar gevangenis. De Thaise wet beschermt (zoals in de Verenigde Staten) de zwakkere verkeersdeelnemers: ik ben bij voorbaat schuldig. Hij spreekt met de politieagent en bereidt me voor op een politieonderzoek van enige weken, gevolgd door een proces. Gemiddeld duurt het hele verhaal zo'n anderhalve maand. Over de uitkomst van de zaak wil hij niet speculeren, maar hij laat me in de waan dat ik wel eens achter tralies zou kunnen geraken...

De Thaise wet staat me toe mijn proces af te wachten buiten de politiecel, als ik een borgtocht betaal. Die wordt door de politie vastgesteld op het (naar Thaise begrippen) enorme bedrag van 100.000 Bath (ofwel zo'n 2.700 dollar). Er wordt langdurig gesproken over mijn verklaringen en mijn mogelijkheden om geld te regelen. De ambassade in Bangkok wil wel helpen, maar moet daartoe eerst (in Nederland) geld ontvangen. Ik haal de tank van de motor en tel alle Amerikaanse dollars en travellercheques die ik heb. Dat zou net genoeg moeten zijn. Maar de politie wil het geld in Thaise Bath ontvangen en niks anders. Zo tegen dat de heren klaar zijn om met me naar de bank te gaan is het al drie uur. De banken sluiten allemaal om half vier en de vestiging in dit gehucht wisselt geen vreemde valuta en verzilvert geen travellercheques.

Ik vermoed kwade opzet. Men wil me niet laten gaan, maar ze willen de zaak rekken. Volgens de wet heb ik drie dagen om die borgtocht te betalen. Daarna zal ik worden overgedragen aan de rechtbank in Phattalung. Dan zal ik zeker worden opgesloten en zal borgtocht regelen voor mij onmogelijk zijn. Ik moet dan hulp 'van buiten' hebben die dat voor me regelt. Bovendien kan de borgtocht, die dan door de aanklager wordt vastgesteld, hoger zijn. Ik maak me niet heel veel zorgen, want volgens mij ben ik vanochtend gearresteerd, volgens één van de verklaringen die ik heb ondertekend.

Het is het eind van de middag als er een nieuw gezicht opduikt. Het is meneer Dhamnoon. Hij woont in Bangkok en is auteur-vertaler. Hij vertaalt Engelse boeken in het Thais. De economische crisis heeft ernstige gevolgen voor hem: zijn huis aan de grens met Maleisië is in beslaggenomen door de bank, in Bangkok is 'iets' aan de hand en daarom is hij hier te gast in zijn geboortedorp. De ambassade doet haar best voor me, maar zijn nu vastgelopen op het ontbreken van een lokale bankrekening. Ze mogen het niet rechtstreeks naar de politie overmaken, want ik moet aantonen dat het geld van mij persoonlijk is. Ik neem een gok. Ik bel Van Lanschot Bankiers in België nog een keer en vraag ze het geld over te maken op de rekening van een familielid van Khun (=3Dmeneer) Dhamnoon. De bank bevestigt een flinke som geld naar Buitenlandse Zaken in Den Haag te hebben gestuurd.

Het is weer avond. Ik heb nog steeds geen eetlust - ik leef op erg zoete koffie en cola. De Engelse docent duikt weer op: hij brengt me water, koffie-frisdrank en bier. Inmiddels ben ik me ook officieel bewust van mijn gevangenschap en ga er vanuit dat ik vannacht de politiecel van binnen te zien krijg. Het bier mag ik opdrinken, als ik dat wil. Maar eerst worden er negen (!) sets vingerafdrukken gemaakt en men staat erop dat ik meega het dorp in om te eten. Ik word onder politiebegeleiding aan een tafeltje gezet en ik eet een half kommetje noodlesoep voor de vorm. Het halve dorp komt even langs, natuurlijk. Teruggekomen deel ik het bier en het water met de overigens best aardige agenten.

Men heeft begrepen dat ik vannacht niet veel geslapen heb en er wordt nagedacht over een andere slaapplaats. Het kantoor van de baas heeft ook een air-conditioner maar geen bed, want de baas slaapt gewoon thuis. De dienstdoende agenten gaan niet naar huis, maar zijn tot 22:00 uur bezig met het dikker maken van mijn dossier en zullen de nacht op veldbedden achter hun bureau doorbrengen. Drie man zitten doorlopend te typen op oude machines. Ze staan me toe dat ik mijn matrasje en slaapzak van de motor haal. Ik slaap van tien uur tot vier uur in de ochtend. Die tijd van vier tot zeven (als iedereen die ook op het bureau slaapt opstaat) is het ergst - iedere tien minuten dezelfde droom over het ongeluk en dan wakker schrikken en constateren dat de nachtmerrie werkelijkheid is.

De ambassade heeft teveel geld overgemaakt en er ontstaat een gedoe dat opnieuw een dag duurt. Het gaat over het eigendom van het geld (het komt immers van de ambassade) en is nu toch op de politierekening gestort. Om twee uur laat ik me (onder politiebegeleiding) naar de bank brengen en lukt het me iedereen op één lijn te brengen. Het geld van Van Lanschot kan niet worden teruggevonden omdat het rekeningnummer niet klopt. De 200.000 van de ambassade wordt voor de helft geretourneerd, de andere helft wordt nu toch door de bureaucraten geaccepteerd. Ik zal vanmiddag het bureau mogen verlaten.

De inspecteur heeft echter nog een verrassing: de motor kan nog niet worden vrijgegeven. Snel vind ik uit waarom: de bestuurder van een motorvoertuig moet, volgens de Thaise wet, onafhankelijk van de schuldvraag, de aangereden voetganger schadeloosstellen. Daartoe moet er met de familie worden onderhandeld. Ik bel met de ambassade en met Nederland. De bedragen die ik hoor lopen uiteen van 20.000 tot 100.000 Bath. Een neef van de gestorven vrouw onderhandelt, en hij wil 300.000. De inspecteur bemoeit zich er ook mee - als we nog niet helemaal klaar zijn poogt hij de onderhandelingen af te breken en begint vast papierwerk voor te bereiden om me opnieuw te arresteren en aan de rechtbank over te dragen. Ik gebruik een Monninkhof-truuk: we spreken af morgen verder te onderhandelen.

Ik slaap bij Khun Dhamnoon uit Bangkok, bij één van zijn familieleden. Deze mensen blijken weer familieleden van de overledene. De schrik slaat me om het hart - deze man zou aan mijn zijde moeten staan. De volgende ochtend bereiken we overeenstemming over een betaling van 50.000 Bath nu, en 50.000 Bath als de zaak geseponeerd wordt. Ik laat mijn advocaat de inspecteur een 'onkostenvergoeding' in het vooruitzicht stellen. De inspecteur laat me geloven dat de Officier van Justitie waarschijnlijk gaat seponeren omdat de getuigenverklaringen allen zeggen dat het niet mijn schuld was. Ik ben wat opgelucht. De inspecteur belooft dat hij de nog af te nemen getuigenverklaringen niet te scherp zal laten klinken.

De inkt van de overeenkomst met de familie is nog nat als de inspecteur nog snel wat laatste handtekeningen nodig heeft: hij wil dat ik een situatieschets onderteken die niet klopt en suggereert dat ik de vrouw raakte toen ze de weg al bijna over was en dat de vrouw erg ver was meegesleept. Ik onderteken nadat ik wijzigingen heb doorgevoerd. De andere is een verklaring die begint met 'vandaag, 2 feb, 22:00 uur'. Maar is vandaag vrijdag 5 februari. Het is de bevestiging van mijn arrestatie en ik verklaar erin op mijn rechten te zijn gewezen. Ik weiger die te ondertekenen.

De motor wordt vrijgegeven en met de tolk rijd ik wat adressen in het dorp af. Ik los een computer probleem op door een Windows 95 opnieuw te installeren. Ik pik mijn bagage op en rijd zo'n veertig kilometer overdreven voorzichtig en zeer onzeker in het donker naar een hotel met een redelijk bed. Maar de nachtrust is, ondanks het bier op de nog immer nuchtere maag, veel te kort. Ik maak me ernstig zorgen dat een sepot er niet van komt en dat de inspecteur ondanks zijn woorden helemaal niet van plan is me te helpen.

Ik probeer in mijn telefoontjes naar familieleden en Carolyn mijn stem onder controle te houden en ik vertel alleen de kern van het verhaal. Alle twijfels, angsten en zorgen poog ik zo goed mogelijk te verhullen. Bijna niemand trapt erin, maar gelukkig wordt er niet al te veel doorgevraagd. Zaterdag begin ik met het beschrijven van deze episode - ik ben verbaasd over het effect dat het op me heeft. Doordat ik het verhaal 'vertel' raken mijn gedachten en gevoelens weer enigzins op orde. Ik heb niet meer zo heel erg het gevoel dat ik geleefd wordt door mijn nieuwe omstandigheden.

Begrafenis

De advocaat heeft me verteld dat het een goed idee zou zijn als ik naar de ceremonie voor de overleden vrouw zou gaan. Ik kan dat haast niet geloven - als iemand mijn moeder doodrijdt kan ie zich beter niet op de crematie laten zien. Ik besluit de raad niettemin op te volgen en ik ga met lood in de schoenen naar de eerste van drie dagelijkse bijeenkomsten.

Het hele dorpje weet van het ongeval en hebben mij gezien terwijl ik op het politiebureau in hechtenis was. Velen zijn daarvoor speciaal naar het bureau gekomen, anderen hebben gezien hoe de agenten me meenamen om te eten aan het eind van de tweede dag die met ze spendeerde. Ik word dus onmiddelijk herkend als degene die de directe aanleiding van de ceremonie is. Maar ik krijg geen enkele verwijtende blik. Niet één. Velen steken hun duim op om me te laten weten dat ze mijn aanwezigheid waarderen.

De plechtigheid vind plaats in open ruimte, niet ver van het gebouwtje waarin de eigenlijke crematie plaats zal vinden, over twee dagen. De kist staat tegen de achterwand, bedekt met plastic bloemen. Ertussen is kerstverlichting aangebracht die staat te knipperen. Tegenover iedere hoek van de kist is een TL lamp opgehangen. De gele, witte, groene en de roze lamp zetten het podium waarop de kist staat in kleurig licht. De kist is voorzien van koeling - dit is een uitgebreide ceremonie. Er is een foto van de overleden Lab Chimklai op een ezel gezet, ook versierd met plastic bloemen. Sommigen hebben een geschenk gekocht. De kleuren zijn oorverdovend. Mijn geschenk is een mooie paars-roze deken die versierd is met (alweer) plastic bloemen. Ik probeer het cadeau een beetje onopvallend neer te zetten. Er is veel servies in kleurig cellofaan. Voor de monniken, zo wordt me verteld.

Langs de zijwand is een podium voor de monniken. Ik tel er zes - ze leiden de gebeden die zodadelijk gaan beginnen. Op de grond zijn matten uitgespreid waarop de aanwezigen geknield zitten. De vrouwen aan de linker, de mannen aan de rechterkant. Ik neem plaats achterin de groep. Er wordt wat gesmoesd en iedereen kijkt om. Het liefst was ik ter plekke door de grond gezakt. Maar niemand lijkt boos: eerder prettig verrast door mijn aanwezigheid. De familieleden die ik herken begroet ik met een 'wai'. (Een wai is equivalent aan het westerse handenschudden. Je plaatst je handen tegen elkaar als in een bidgebaar en je houdt je wijsvingers ongeveer tegen je neus. Je hoofd maakt een knikgebaar.)

Het bidden begint. Een monnik begint een monotone herhaling van woorden die ik niet versta. Er is een soort ritme, haast als een Mantra. Soms gaat de toon iets omhoog waarna alle aanwezigen een wai maken. Direct erna gaat het dan weer verder. Ik probeer de gebaren zo goed mogelijk te volgen.

Er zijn een krachtige versterker en een luidspreker zuil geïnstalleerd buiten de overdekte plaats waar de kist, en monniken en wij zitten. Ik zie nu, dat naast ons een grote tent is opgezet. Er staan veel tuinstoelen in, die nu door een aantal mensen bezet zijn. Maar er is capaciteit voor nog wel honderd mensen. In de verte ontwaar ik een nog veel grotere tent met tafels en stoelen. Ernaast is zo'n plaats waar op markten het eten wordt klaargemaakt. "Zal wel voor andere doeleinden zijn", denk ik, hoewel er wat licht en activiteit is.

Intussen blijf ik de bewegingen om me heen zo goed mogelijk volgen. De mensen hebben nu meer aandacht voor de monniken en het gebed al werpen velen af en toe steelse blikken in mijn richting. Ik word goed in de gaten gehouden. Mijn gedachten dwalen af naar het ongeluk en de gevolgen ervan. Ik begin me af te vragen of het wel zo'n goed idee was om de wereld op een motorfiets rond te reizen. Hier in Thailand is men niet gewend aan deze grote machines die ook nog eens relatief geruisloos zijn. Een brommertje hoor je beter aankomen dan die enorme BMW. En ik rijd natuurlijk ook harder dan zo'n 100cc brommer. En nu ben ik getuige van de crematie van iemand die slachtoffer is geworden van mijn wens op zo'n grote motor voor mijn eigen plezier de wereld rond te gaan.

De dienst loopt ten einde. De mensen om mij heen laten de schaal rondgaan waarop bladeren, een potje met een wit smeersel en in stukken gehakte noten liggen. Ik vraag een oude vrouw naast me hoe ik zo'n blad klaarmaak om te eten. Verrast pakt ze een boom-blad, smeert er wat van het witte spul op, vouwt het en geeft het me samen met een stuk noot. Mijn tolk, khun (meneer) Dhamnoon, kijkt verschrikt opzij. "Dat kun jij niet eten - veel te scherp!", zegt hij. Maar de vrouw heeft haar mond helemaal vol en ziet er niet uit of ze er last van heeft. Ik begin te kauwen.

Opnieuw zorgt het voor beroering in de groep. "De farang eet van de bladeren!" Het blad smaakt lekker. Het lijkt erg veel op de paan die ik in India al had gezien. En nu valt me op, dat de mensen er inderdaad ook rode tanden van krijgen. Maar ze spuwen niet zoals de Indiërs doen. Hoeft ook niet, want dit smaakt lang niet zo bitter als de Indiase paan. Een paar mensen wijzen naar hun lippen - kennelijk worden de mijne rood doordat mijn huid nu eenmaal lichter is. Het ijs is nu echt gebroken.

Iedereen staat op en komt om mij heen staan. De zoon van Lab (Chalam Chimklai) komt op me af. Hij straalt. Of ik alsjeblieft wil blijven om rijst te eten. Het is onbeleefd om rijst af te slaan en dus gaan we allemaal naar de grote tent met de tafeltjes. Een aantal mensen gaat bij ons aan tafel zitten, de tafel ernaast wordt bijgedraaid. Ik weet niet wat me overkomt. Ik laat vragen of de familieleden die ik nog niet eerder had ontmoet mijn excuses-brief in Thais hebben gelezen. Dat hebben ze en ze zeggen dat ik me er niet te druk om moet maken. "Het was een ongeluk", vinden ze allen. Deze mensen hebben een groter hart dan ik in mijn eigen borstkas vermoed. Ik krijg weinig tijd te eten (maar goed ook, want mijn eetlust is nog niet terug) want iedereen begroet me met een wai of wil me een hand geven. Na afloop rijd ik nog steeds onzeker sturend in het donker terug naar mijn hotel, zo'n veertig kilometer verderop.

Een neef van de overledene heeft gevraagd of ik zondag iets vroeger wil komen, om een uur of vier. Ik ga eerst even langs bij de politie om te laten zien dat ik graag wil weten hoe het onderzoek vordert. Via de tolk begint de inspecteur een lang verhaal dat erop neerkomt dat ik de Nederlandse ambassadeur naar het districtbureau moet laten bellen. Het hele dossier zal dan verplaatst worden. Mijn achterdocht wordt gewekt als ie de naam van de officier (de politie is hier als het leger gestructureerd) niet wil geven. Ik denk, dat hij van de zaak af wil, zodat niemand gebonden is aan de mondelinge afspraken die we hebben gemaakt. Ik besluit de suggestie te negeren en Amnat Mitmusik (de inspecteur) het onderzoek zelf af te laten maken.

Bij Amnat Musikasong (de neef) aangekomen drinken we koffie voor zijn huis. We praten over van alles en nog wat: Thailand en haar economische crisis, wat er gedaan moet worden om eruit te komen, welke mogelijkheden ik zie en of er wellicht vrienden of kennissen van mij willen investeren. Voor de neef en de tolk lijkt het onderzoek afgerond - dat onderwerp wordt na de eerste maal gemeden. Ze vertellen me, dat het beter is dat ik niet naar de ceremonie ga, omdat op deze zondagmiddag veel mensen vroeg zijn gekomen en de hele middag hebben gegeten, maar ook gedronken. Ze denken dat ik lastig gevallen zal worden.

De vrouw van Amnat wordt gevraagd eten voor ons te koken. Kort daarop gaan we allen (er zijn nog wat neven gekomen) naar binnen omdat we tegen zonsondergang worden belegerd door muggen. Het huis is tradioneel Thais: Eén grote ruimte waarin woonkamer en keuken zijn verenigd. Ik ga kijken bij de bereiding van de maaltijd en binnen vijf minuten ben ik met de vrouw des huizes aan het eten koken.

Eén van de gerechten bestaat uit een soort zachte noot, ter grootte van een kastanje. Die snijd ik stukjes terwijl in een vijzel kommetje wat pepers, knoflook, garnalenpasta en twee gefrituurde insecten van het formaat erg grote kakkerlak worden fijngewreven. Een Thaise delicatesse. Het beest smaakt heel erg sterk - veel sterker dan de garnalen pasta. Het is inderdaad een bijzonder gerecht en de smaak zal me nog lang heugen. De andere menu selecties omvatten gekookt vlees en een groente gerecht. Opeens heb ik trek en mijn gastvrouw is zichtbaar ingenomen met de hoeveelheid voedsel die ik eet.

Als de twee neven en de tolk weggegaan zijn besluit ik mij toch nog even op de susaan (de plaats waar de crematie plechtigheid plaatsvind) te laten zien. Opnieuw word ik onthaald - niets dan vriendelijkheid van deze mensen. Er zijn er inderdaad veel meer en er zijn er ook een aantal die helemaal nuchter zijn. Eén dronkene probeert indruk op de farang te maken door te claimen dat het zijn moeder is. "Dan heet jij dus Chimklai", zeg ik. De man druipt geschrokken af en wordt door iemand ingeseind over het ongeval. Ik schud meer handen en ga weer naar het hotel - ik begin het gevoel te krijgen vergeven te zijn.

Maandag is de crematie. Ik ben er om kwart voor één. Khun Dhamnoon is er niet, maar ik heb de hulp van een tolk tijdens de plechtigheid ook niet nodig. Mijn geschenk is voorzien van mijn naam en hangt nu prominent vooraan. Ik wil achteraan gaan zitten, maar de geknielde mensen gaan allen opzij zodat ik temidden van hen zit. De hoofd-monnik voert een monoloog van een uur! Wat oudere mensen vallen in slaap, kinderen vervelen zich stierlijk. Ik kan het verhaal natuurlijk niet volgen maar probeer toch oplettend te blijven.

Als de hoofd-monnik uitgepraat is worden er biddoeken aan de monniken uitgereikt. De hoogwaardigheids bekleders het eerst: ik herken de burgemeester en de dorps-oudste, die me beiden tijdens mijn gevangenschap hebben bezocht. Opeens hoor ik mijn naam - ik word verwacht ook zo'n zijden gebedsdoek te overhandigen. De handelingen zijn niet complex en het lukt me redelijk. Khun Dhamnoon is ook opgedoken en vertelt me dat zijn naam per ongeluk ook op mijn paarse deken staat. Ik vertrouw de man steeds minder. Later vragen mensen mij of ik wel Christelijk ben. "Hoezo?", wil ik weten. "Hoe kan je anders zo precies weten hoe die Boeddistische ceremonies verlopen?".

De rest van de crematie krijg ik niet te zien - iedereen, behalve de naaste familie, vertrekt. Een dochter staat te huilen als iedereen (ook ik) symbolisch wat houtsnippers onderaan de kist legt en daarna weggaat. Mijn hart breekt en ik kan mijn emoties nog net bijeen houden. Ik verlaat, nog steeds onder toeziend oog van velen, het terrein.

De middag brengen we door met sight-seeing en meer gepraat over investeringen en geld verdienen. Ik laat de neef en de tolk geloven dat als mijn zaak geseponeerd wordt dat ik Menno zou kunnen vragen met hen te praten over de levering van computers. Hij belooft ervoor te zorgen dat de overgebleven getuigen worden opgezocht en dinsdag hun verklaringen afleggen.

Bangkok, voor de vierde keer

De mensen van de ambassade verwachten veel goeds van een persoonlijk gesprek met de advocaat. Na enig aandringen stemt hij toe in een ontmoeting op vrijdag. Ik laat de motor achter in het hotel in Hat Yai en vlieg woensdag naar Bangkok. De mensen in het hotel aan Sukhumvit zijn verbaasd me terug te zien - ik had ze immers verteld dat ik niet zou terugkeren. Donderdag zal Menno aankomen in Bangkok - de vlucht naar Phuket is gewijzigd in een vlucht naar Hat Yai op zondag. Donderdagochtend bezoek ik meneer Koedood van de ambassade en zijn opinie over dit soort zaken is heel wat optimistischer: een farang moet wel wat meer uithalen om in de gevangenis terecht te komen. Hij kent geen gevallen vergelijkbaar met de mijne die uitdraaiden op geangenisstraf. Er zes Nederlanders 'gast' van de Thaise overheid en dat zijn doodslag en smokkel zaken.

Menno komt op tijd aan en het weerzien is uitbundig. Het is precies wat ik nodig heb na de lange weken achter me. We praten honderduit over van alles en nog wat en ik geniet van zijn aanwezigheid. En ik ben blij dat ik er niet meer helemaal alleen voor sta. Alleen reizen heeft grote voordelen maar je bent wel erg op jezelf aangewezen als er iets ernstigs gebeurt. Menno is er om mee te denken, om dingen te doen, me af te leiden. Maar in de eerste plaats komt onze vriendschap, die voor mij nu tastbaarder dan ooit is.

Ik heb e-mail verstuurd naar de 'lijst' en heb daar het telefoonnummer van het hotel in Bangkok in opgenomen. De komende dagen en nachten raak ik nog beter doordrongen van het medeleven en de bezorgdheid van het thuisfront: velen bellen me op (en wakker, soms). Gerard en Laura, die ik heb leren kennen in Istanbul, 25.000 kilometer geleden, telefoneren zelfs vanuit India. De e-mail die van over de hele wereld binnenkomt is een hart onder mijn riem. Ik prijs mezelf een gelukkig mens dat mag rekenen op zoveel ondersteuning van vrienden en kennissen.

Menno en ik zijn ervaren feestneuzen als we in elkaars gezelschap zijn - we hebben heel wat avonden op verschillende plekken in Europa op bijzonder prettige wijze doorgebracht. In Zuid-Oost Azië blijkt dat even goed te lukken als elders en er gaan uren voorbij waarin ik helemaal niet denk aan noodlottige motorongevallen. We wandelen wat in donker Bangkok en komen terecht in een bar die bevolkt wordt door dames die de Pattaya-aanpak volgen. Met z'n tweeën vermaken we ons met de dames, wetende dat we de nacht in de beide bedden op Sukhumvit zullen doorbrengen, zonder 'gastvrouwen'. Eén van de meisjes heeft een 'snack' meegebracht: gefrituurde sprinkhanen. We laten ons tegenover zo'n klein Aziatisch meisje natuurlijk niet kennen - dapper eten we insecten. En ik moet toegeven dat de gedachte niet aanspreekt, maar dat ik ze écht lekker vind! De jongedame en ik eten samen de rest van haar sprinkhanen voorraad.

Vrijdag gaan we samen naar de advocaat en maken we een plan voor het geval dat ik opnieuw borgtocht moet betalen om uit de gerechtshof gevangenis te blijven. De eerste fase van het onderzoek loopt af op 15 februari. Ik moet me dan melden op het bureau in Thamod - misschien wordt het onderzoek afgerond, en kan ik Thailand verlaten of me voorbereiden op mijn verdediging.

De advocaat heeft niet minder dan drie uur nodig om de door mij meegebrachte papieren te lezen en ons vervolgens uit te leggen hoe de Thaise procedures werken. Het politieonderzoek zal telkens met ongeveer twaalf dagen worden verlengd, aan het eind van iedere periode moet ik mij melden op het bureau. Het onderzoek mag niet langer dan zes maanden (!) duren, maar zal waarschijnlijk binnen een maand klaar zijn, omdat het een buitenlander betreft. Het onderzoek, dat geleid wordt door een inspecteur die door de chef van de politiepost wordt gecontroleerd zal vlak voor voltooiing aan de districtscommandant worden voorgelegd. Er volgt dan een advies voor de Officier van Justitie: vervolgen of seponeren. Als de zaak vervolgd wordt zal de gevangene wordt overgedragen aan de rechtbank. De borgtocht wordt dan teruggegeven (maar meestal een dag te laat) en de rechtbank stelt opnieuw een borgtocht vast. Die kan niet door de gevangene worden betaald, maar moet door iemand buiten de cel worden geregeld.

Daarna wordt er een datum voor het proces vastgesteld, meestal een week of twee later. De getuigen worden opgeroepen om te verschijnen, hoewel ze geen verplichting hebben om te komen. Als ze niet komen zal het proces worden verdaagd, net zo lang totdat de getuigen komen. De straf kan uiteenlopen van één tot tien jaar, maar omdat ik geen strafblad heb kom ik er waarschijnlijk vanaf met een boete van 10.000 Bath en het verzoek de volgende dag het land te verlaten en niet terug te komen. We maken vast een lijst van documenten die ik nodig zal hebben om aan te tonen dat ik geen strafblad heb, dat ik een woning bezit waar ik permanent woon en dat ik werk heb.

We bepraten ook de wat minder legale opties: de gevolgen van het illegaal Thailand verlaten, de consequenties die dat heeft in Maleisië, welk bedrag ik dan verlies aan borgtocht en de achtergelaten motorfiets met bagage enzovoorts. Als ik dat doe is de wereldreis zeker ten einde, net nu ik het licht aan het eind van de tunnel dacht te zien en druk denkende ben over hoe het verder moet. Het beste moment om te vluchten zou vlak na de overdracht aan de rechtbank zijn. Ik verlies daarmee de borgtocht, maar als ik op één of andere manier door de jungle in Maleisië kan komen kan ik de motor behouden. Ik moet niet gepakt worden: borgtocht is er dan niet meer bij...

Het lijkt Khun Puttri (de advocaat) uitgesloten dat aanstaande maandag 15 februari de zaak afgerond kan worden - er zijn gewoon teveel mensen bij betrokken. Hij belt met de inspecteur en ziet zijn vermoeden bevestigd. En tevens krijgt hij zelf de indruk dat er zal worden aangestuurd op een sepot van de zaak. Maar hij sluit niet uit, dat de inspecteur dat doet om er zeker van te zijn dat ik blijf terugkomen.

Toeristen Menno en Adriaan

Zaterdag besteden Menno en ik aan het verkennen van Bangkok en het rondvaren in zo'n longboat over de rivier in Bangkok. Maar goed, dat ik de eerste drie keer niet gezwicht ben, want nu zien we beiden alles voor de eerste keer. En het is een bijzondere aanblik. De rivier die Bangkok doorsnijdt is voorzien van kanalen die de 'straten' vormen voor een hele woonwijk. Armoedige hutjes staan op palen in het water; mensen wassen kleding in de kanalen. Toch ziet het er niet hopeloos uit, waarschijnlijk door de grote palmbomen en ander groen dat overal tussen de huizen staat. En kennelijk kun je een woning niet beoordelen aan de hand van de buitenkant: ik zie meer dan eens houten hutjes die morgenochtend gaan instorten, waarop een nieuwe (split-system) airconditioner is gezet. Menno ziet vele satellietschotels.

We laten ons veel te veel geld afhandig maken voor een drankje aan het zwembad van het Sheraton hotel langs de rivier. Daarna gaan we te voet verder, op zoek naar Chinatown. We komen in een overdekt marktje terecht waar van alles te koop is, vooral veel verse goederen. We bezoeken ook nog even een tempel, maar zijn het wandelen in de hitte beu. Een Tuk-tuk chaffeur staat opnieuw het stuur aan me af - dit keer rijdt ik met twee passagiers door het drukke stadverkeer van Bangkok. De tempel heeft een paar enorme Bhoedda beelden en we praten even met twee lokalen.

Phuket

Zondag gaat de vlucht van Bangkok naar Hat Yai vlot. Een Nederlander (die naast ons blijkt te zitten - wat een toeval) vertelt over een medewerker in Indonesië van de oliemaatschappij waarvoor hij werkt die getuige was van de 'straf' die zijn chaffeur onderging na het aanrijden van een kind op Java. De Javaanse chaffeur werd naast de weg door de boze menigte ter plaatse vermoord... De rest van de verhalen van deze automatiseerder waren minder interessant (of helemaal niet relevant). Maar dat deerde de man niet: hij was in talk-only mode.

Maandag gaan Menno en ik samen op de motor naar Thamod. We hebben alle plannen klaar en zijn op alle eventualiteiten voorbereid. Het onderzoek wordt gewoon verlengd, zoals Khun Puttri verwacht had. Ik besluit op het laatste moment Khun Dhamnoon niet mee te nemen - als de politie iets 'moeilijks' wil kunnen we hem altijd nog ophalen. Als ie er niet is kan de politie Menno en mij ook geen vragen stellen waar we liever geen antwoord op geven. Donderdag 25 februari moet ik weer op het politiebureau verschijnen.

Na de plichtplegingen op het bureau zoeken we Nipaporn op. Die staat les te geven maar is bijzonder ingenomen met ons bezoek. Het lesrooster van drie klassen raakt totaal ontwricht en Menno groeit snel in zijn rol als leraar. We hebben behoorlijk pret met al die zestien tot achttienjarige meisjes die zichtbaar lopen te zwijmelen over de twee meter lange blonde farang.

Rond de middag rijden we terug naar Hat Yai waar Menno een kaartje bemachtigt voor de (mini)bus naar Phuket. Mijn bestemming is dezelfde, maar ik reis per motor. Vanaf Hat Yai kies ik een alternatieve route over secundaire wegen waardoor ik de vierbaans wegen vermijd. Ik zie veel meer van de omgeving en Menno reist in de bus waarschijnlijk toch veel langzamer. De omgeving is wat teleurstellend: alleen de oversteek van de bergrug is de moeite waard. De rest wordt opgevuld door de eindeloze rubberplantages. Het motorrijden gaat alweer wat beter, hoewel het hele verhaal zich leek te herhalen toen een stokoude man de weg opliep net nadat ik Surin was gepasseerd. Maar gelukkig wist ik nu dat ie wel eens door zou kunnen lopen en heb ik gewacht na de noodstop totdat ie verdwenen was.

Menno heeft geen geluk: In Trang is de rit in de bestelbus met airconditioning en 15 andere passagiers voorbij. Hij moet overstappen op een soort stadsbus. Gebroken bereikt hij het guesthouse nadat ik hem van het busstation in Phuket heb afgehaald.

Tot nog toe heb ik in alle landen op deze wereldreis het gedrag van de inheemse weggebruikers nagedaan. Mijn snelheid is die van de (snelste, dat wel) auto's, ik rijd door rood als alle anderen dat ook doen (dat mag namelijk in sommige gevallen hier in Thailand) en vanochtend ben ik zonder helm een rondje over Phuket aan het rijden. Menno is aan het studeren op zijn PADI Open Water manual - het begin van zijn duikcursus. En wat denk je? In Patong Beach wordt ik aangehouden en krijg ik een prent! Natuurlijk willen ze de papieren zien en moet ik het hele verhaal opdissen. In heel Thailand rijden motorrijders zonder helm maar in Patong besluit de politie te controleren. Ik rijd naar de tourist police om te vragen om een exemplaar van de verkeerswet in het Engels. Hebben ze niet. Terloops wordt me meegedeeld dat de rechterrijstrook op vierbaanswegen voor motoren verboden terrein is. Vandaar dat de politie in Thamod zo'n probleem maakt van mijn uitwijkpoging naar rechts! Oh - na betaling van de boete mag ik de hele dag zonder helm blijven rijden. De logica ontgaat me.

Duiken

Terwijl Menno de komende vier dagen van gewoon mens in gebrevetteerd duiker zal veranderen, moet ik natuurlijk ook prettig beziggehouden worden. Ik heb nu zo'n 160 maal een duik gemaakt en heb zelfs een professionele duikactiviteit overwogen. Daartoe moet je dive-master worden en dat kan als je een aantal andere cursussen van PADI hebt gevolgd. PADI staat om die reden volgens sommigen voor "Put Another Dollar In" omdat deze modulaire opzet van cursussen soms veel van geldklopperij wegheeft. Ik ben arrogant genoeg om te vinden dat ik beter duik dan sommige dive-masters (maar ook wel eens slechter). Maar telkens als ik tanks wil huren moet ik mijn grote aantal duiken verdedigen: het is niet langer in verhouding met mijn basis-brevet. Solidair als ik ben schrijf ik me ook in voor een cursus: de Advanced Open Water cursus.

De cursus heeft weinig om het lijf - ik vermaak me met de instructeur het best als we de oefeningen hebben afgerond. We hebben dezelfde duikstijl en de instructeur is erg ingenomen met deze cursist. We maken duiken van meer dan een uur - 45 minuten lekker zwemmen na een kwartiertje oefenen. Ik lees het hele boek door en leer zo over alle 12 onderwerpen hoewel er slechts zes voor de cursus nodig zijn. Het leukst vind ik de multi-level duiken: ik heb nu een methode om mijn computer te controleren.

Menno rolt goed door de cursus heen - we besluiten het duiken gelijk maar goed ter hand te nemen en boeken een paar dagen verblijf op een boot. De procedure is als volgt: 's ochtend vroeg opstaan en direct duiken. Dan wat eten en nogmaals duiken. Even wachten, weer duiken en lunchen. 's Middags nog een keer en dan dineren, gevolgd door een duik in het donker. Duikmateriaal in elkaar zetten wordt door het boot-personeel gedaan. Eten wordt voor je gekookt. Als je even wat anders wil doen ga je even slapen in het hangnet dat voor de boeg hangt. We boeken de Scuba-Cat en vertrekken direkt nadat Menno z'n brevet krijg. Het klinkt al goed, maar zelf doen is nog veel beter.

De boot wordt regelmatig verplaatst zodat we telkens een andere duikstek te zien krijgen. In de ochtend kiest de duikleider een plaats voor een diepe duik en naarmate de dag vordert worden de duiken ondieper.

De ondiepe duiken zijn meestal in een baai, waar het koraal uitbundig groeit. Zo'n baai geeft beschutting en er is geen stroming. Het water is bijna dertig graden - zo warm (of koud) als mijn bad nadat ik er twee uur in heb gelegen (ik begin meestal bij 36 graden). Er is verschrikkelijk veel te zien, onder water. Alleen de verschillende koraalsoorten zijn al een studie waard: hersenkoraal dat eruit ziet als de buitenkant van hersenen, gewei-koraal, blad-koraal dat in platte structuren verticaal op de bodem staat en zo door.

Tussen het koraal leven de anemonen, die zonder uitzondering een clown-fish als gast hebben die soms moedig genoeg zijn mijn uitgestoken hand aan te vallen. Ze zijn echter te klein om echt te bijten... Op de koralen treffen en mosselen aan, die allerlei manieren hebben om de plankton uit het water te filteren. Of de 'kerstboompjes' die zich terugtrekken als je er dichtbij komt. En dan hebben we het nog niet gehad over de bewegende zaken: vissen, zeeëgels, slakjes. We zien veel roggen, jew-fish, groupers en een enkele barracuda. Schildpadden, krabben en kreeften maken het beeld redelijk compleet. Menno kan nog niet zo lang duiken, maar hij heeft talent. Natuurlijk gebruikt ie iets meer lucht dan anderen, maar plotseling zinken of ineens stijgen doet ie niet. En dat terwijl het drijfvermogen regelen voor velen het lastigste deel van het duiken is.

De duikleider houdt echter helemaal geen rekening met beginners, noch met de wensen van hen die lange, ondiepe duiken prettig vinden. De diepe duiken zijn over het algemeen minder leuk, omdat beneden 20 meter de hoeveelheid licht te gering is om koraal te laten groeien. We zien daar grote rotsstructuren en we leven in de hoop een paar haaien te zien, die overdag in het algemeen in wat dieper water slapen. Meer dan eens kiest onze duikleider een plek die door de getijden juist gebukt gaat onder een flinke stroming. De tekeningen die hij tijdens zijn toespraakjes gebruikt zijn alle op verschillende schaal.

Het leidt ertoe dat Menno en ik op 20 meter diepte zo'n 10 meter boven de bodem (zodat je de bodem net niet kunt zien - alles om ons heen is blauw en we zwemmen op het kompas en de dieptemeter) een brede opening over tussen twee grote rotspartijen. We hebben een enorme stroming waar we tegenin moeten zwemmen. Als ik even stop met watertrappen word ik onmiddelijk weggespoeld. Menno zit achter me, maar houdt me redelijk bij. Ik kijk regelmatig om, maar niet vaak genoeg om te zien dat ie in moeilijkheden is. Als we de overzijde hebben bereikt is er niet voldoende lucht over om nog wat te zien. We maken onze veiligheidsstop en gaan naar de oppervlakte. Menno vertelt me daar dat ie onder water aan het overgeven was!

Eén van de duikgidsen heet Christin. Ze heeft de beste baan die ik me kan voorstellen (afgezien van de betaling en de carriêrekansen): ze mag de over het algemeen ervaren duikers onder water de weg wijzen. Natuurlijk is ze er ook om de hotel-boot gasten bij te staan als die onder water in moeilijkheden zouden raken, maar er gebeuren deze reis geen ongelukken. Ze is hier terecht gekomen als onderdeel van haar wereldreis: na haar eerste ronde over de globe is ze teruggekeerd naar Thailand om hier vanaf Phuket als duikinstructrice te werken. Ze heeft een apartement in Patong Beach. We gebruiken de tijd tussen de duiken om onze wereldreizen te bepraten. Er lijkt geen eind te komen aan de overeenkomsten, hoewel we beiden op zeer verschillende wijzen onderweg zijn.

Christin was een bijzonder gelovig Christen. Na de wereldreis en haar kennismaking met Bhoeddisme is dat behoorlijk getemperd. Vooral de constatering dat iedere religie van iedere andere geloofsovertuiging vindt dat het 'heidenen' zijn, heeft indruk op haar gemaakt. De meerderheid van de wereldbevolking is dus niet-Christelijk. Zou de meerderheid van alle mensen het bij het verkeerde eind hebben? We besteden ook nogal wat tijd aan de kindervraag. Beiden op weg naar veertig beginnen we ons bewust te worden van onze leeftijden in verband met het krijgen (en opvoeden) van kinderen. Christin is er wel uit: voordat de moesson begint gaat ze terug naar de Verenigde Staten om haar kinderwens te vervullen. Ik schuif het probleem nog maar even op de lange baan, al besef ik dat ik dat niet eeuwig kan volhouden.

Meer politie perikelen

Menno heeft zijn vliegreis terug naar Nederland uitgesteld, zodat hij me bij kan staan als ik me donderdag 25 februari opnieuw bij de politie moet melden. We reizen naar Hat Yai: Menno per vliegtuig, want zo'n busreis wil hij niet nog eens meemaken. Ik ga op de motor. Menno's vakantie heeft mij ook goed gedaan: het motorrijden gaat alweer wat beter. Als ik in Hat Yai aankom heeft Menno juist z'n intrek genomen in de laatste vrije kamer van het hotel. Opnieuw slapen we in een tweepersoonsbed...

Opnieuw leggen we de weg naar Thamod af. Twaalf dagen geleden leek alles er goed uit te zien. We zijn dan ook hoopvol gestemd en hebben zelfs plannen voor de overgebleven cognac en sigaren, vanavond. Maar vandaag is de inspecteur bij onze aankomst niet eens aanwezig. Na een uurtje wachten (tijd is in Thailand niet kostbaar) duikt de man op en begint over een faxje uit Bangkok waarin de ambassade zegt dat men mij eerst zelf wil spreken over de bestemming van de terug te geven borgtocht. De ambassade stelt in antwoord op een vraag van deze politiepost dat het geld van mij is en dat ze er niet over kunnen beslissen. Het klinkt bemoedigend; hoewel: de borgtocht ook wordt teruggegeven als ik word overgedragen aan de rechtbank. Na een tijdje heen- en weer praten laat ik de ambassade een faxje sturen met instructies om het geld aan mijzelf terug te geven. Of de zaak geseponeerd wordt weet ik dan nog immer niet.

Het volgende struikelblok is de verzekering. In Bangkok vertelde men mij in december dat een verzekering voor een motorfiets niet mogelijk was en in Chiang Mai zag ik dat bevestigd. Maar nu staat mijn naam op een nieuwe aanklacht: "Rijden zonder verzekering". Boete: 10.000 bath (555 gulden of 270 dollar). Maar als ik nu betaal kan het geregeld worden voor 1000 bath. Schiet mij maar lek. Maar goed, ik wil nu eindelijk Thailand uit, dus die 1000 bath kan er nog wel bij. Ik betaal en onderteken een tweetal formulieren. Als ik een fotocopie eis wordt er (nadat ik ondertekend heb) nog snel even wat aan toegevoegd. In Thais, natuurlijk.

En dan komt de aap uit de mouw: ik zal worden overgedragen aan het gerecht, tenzij.... de nog steeds ontbrekende getuige komt. De getuige die moet zeggen dat het een ongeval is en dat ik er weinig aan kon doen.

Intussen wordt er achter ons een verkachter verhoord. Niet minder dan drie agenten staan wel heel dicht om hem heen. Ik kan het Thais niet volgen, maar ik zie dat er geweldige druk op de man wordt uitgeoefend. Hij ondertekent iets en wordt weer naar de cel gebracht.

Mijn tolk en het familielid in wiens huis ik insecten heb zitten eten hebben inmiddels met Menno een rondje gepraat over de levering van computers. Maar Menno en ik houden de brochures en de offerte nog even in de motorkoffer, onder het voorwendsel "Eerst dit, dan computers". De neef (Anwat) besluit voor me te getuigen. Hij lijkt wat nerveus - ik vraag hem of hij het ongeval heeft gezien. Hij zegt dat ie ooggetuige is. Na alweer een uur wachten komt de inspecteur met Anwat praten. De inspecteur weet dat Anwat helemaal niet ter plaatse was en waarschuwt hem. En, oh wonder, er wordt een 'echte' ooggetuige gevonden, eentje die tot nog toe onvindbaar bleek. Mijn vertrouwen in het Thaise rechtssysteem slinkt per seconde.

De verkrachter wordt intussen aan de rechtbank overgedragen. Geboeid wordt hij in een auto gezet om Phattalung gebracht te worden. Een aantal agenten verkneukelen zich zichtbaar bij de gedachte dat mij hetzelfde staat te wachten. Och, het maakt mij niet zoveel meer uit - Menno heeft inmiddels een machtiging voor mijn bankrekening (het bank personeel kon niet ophouden te staren naar de twee meter lange blonde God uit Europa - ik denk niet dat hij zijn paspoort nodig zal hebben als hij geld komt halen) en ik zal hoogstens een nacht in het gevang zitten waarna de borgtocht door Menno voldaan kan worden. En dat alleen in het geval dat ik word overgedragen na sluitingstijd van de bank om half vier. En het is pas twaalf uur. Ik vraag de ambassade maar vast het resterende geld over te maken naar mijn rekening.

De ooggetuige bevestigt mijn verhaal en het onderzoek wordt dus verlengd. Net wat ik _niet_ wilde: ik wil dat de situatie wordt afgesloten, niet uitgerekt. Vandaag kan echter geen beslissing worden genomen: er zijn te veel mensen bij betrokken. De Officier van Justitie, de korpschef en de inspecteur moeten nu gezamelijk besluiten wat er met zaak gebeurt. En ik moet dus weer twaalf dagen wachten.

Maar mijn verblijfsvergunning loopt 3 maart af. "Geen probleem!, Kom je drie maart toch even terug?" De inspecteur wil met mij naar de immigratiedienst om mijn verblijfsvergunning te verlengen en vervolgens naar de Maleisische grens rijden om de papieren voor de motor ook te verlengen. De ambassade zal er later een gunstig teken in zien: de inspecteur gaat er kennelijk vanuit dat ik na 9 maart (einde van de twaalf dagen termijn) de grens over kan. Ik weet het nog niet - tot nog toe zijn telkens mijn slechtste vermoedens over de man uitgekomen - ik denk nog steeds dat een farang achter tralies brengen zijn status zal verhogen. En dat hij derhalve nogal fanatiek is.

Zwaar teleurgesteld gaan we terug, na nog een kort bezoekje aan Nipaporn. Onderin het hotel is een restaurant dat 's avonds verandert in een bar vol met meisjes. De dames bedienen en... zingen! En natuurlijk zitten ze op schoot, als je dat toestaat. De animeermeisjes doen verschrikkelijk hun best en de meesten geven het op als ik er drie heb afgeschud. De enige met kortgeknipt haar komt naast me (en niet op me) zitten en we knopen een gesprek aan. Ze woonde vroeger in het noorden van Thailand maar heeft deze baan gekozen omdat hier in tijden van economische crisis meer geld te verdienen is. Hat Yai is een uitgaanscentrum voor Maleisiërs, want in Thailand mag nu eenmaal meer dan in het Moslim-land dat ten zuiden van ons ligt. We vinden ondanks de teleurstelling wel een reden de cognac en de sigaren te gebruiken.

Menno vertrekt vrijdagavond 26 februari - het is zo'n kort afscheid waaraan Carolyn zich ook al eens heeft geërgerd. Ik ben nu eenmaal niet zo goed in afscheid nemen van dierbaren en houd dat soort momenten het liefst zo kort mogelijk. Ik weet al wat er gaat gebeuren: ik ga me een tijdje niet erg prettig voelen - na twee weken onophoudelijk gezelschap zal ik wel in een diep gat terechtkomen.

De zondag vul ik grotendeels met een bezoek aan de Maleisische grens. De missie is tweeledig. Ik wil kijken of het echt mogelijk is een motorfiets te verzekeren (en dat blijkt het geval: kost bijna niks, ook nog). Maar het tweede doel is belangrijker: ik onderzoek welke hekken er zijn opgesteld en welke wapens de grenswachters dragen. Ik constateer dat de 'brute force' methode zou kunnen werken, helemaal als ik de verder ongewapende heren van de immigratie wat zand in de ogen kan strooien door de motor weer verkeerd te parkeren. Ze kunnen dan niet zien of mijn paspoort al gestempeld is als ik sputterend vertrek. Mocht blijken dat dit land de rechtsgang 'uit de hand' laat lopen zal ik illegaal de grens oversteken.

Maandag is een feestdag en vermaak ik me met de Thailanders in Hat Yai, die duidelijk een dagje vrij hebben en het ervan nemen. Aan de grens bleek dat ik de papierwinkel voor de motor kan afronden zonder politie en zonder origineel. Ik moet ervoor naar Sonkla - dat wordt de dinsdag onderneming. Ik heb weer eens geluk: er werkt een vrouw die twee jaar in Brussel heeft gewoond, omdat ze op de Thaise ambassade werkte. Ze spreekt behoorlijk Engels en praat (voor mij) de chef om, want die slapjanus durft weer eens geen beslissing te nemen. Ik keer terug met een verlengd motor importdocument, hoewel het een kopietje is.

Woensdag om 10:00 uur sta ik bij de immigratie dienst. Na een half uur wachten komen Hassan, een andere agent en mijn tolk opdagen. De inspecteur zelf is er niet. "Andere zaak", wordt me toegevoegd. Ze leggen de mannen van de immigratiedienst uit wat de bedoeling is. De chef wordt gehaald en men praat langdurig. De baas van de chef wordt gehaald. Na nog meer gepraat vraag ik de tolk wat het probleem is. De immigratiedienst hier in Hat Yai mag slechts 7 dagen extra geven en de agenten hebben van de inspecteur opdracht gekregen een maand (!) te regelen. Ik probeer geen spier te vertrekken maar huiver bij de gedachte hier nog een maand te moeten doorbrengen.

De oplossing ligt voor de hand en ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik hier sta zonder motor en tweede paspoort! We moeten Thailand verlaten, Maleisië binnengaan en terugkeren. Ik zal dan een nieuw verblijf van 30 dagen krijgen, net zoals ik dat zelf heb gedaan op de dag van het ongeval. Ik ben officieel in hechtenis, hoewel de borgtocht me uit de gevangenis heeft gehouden. In Maleisië heeft een Thaise agent natuurlijk niet veel te zeggen en dit zou de kans zijn me uit de voeten te maken! Maar dan moet ik nu echt alles achterlaten - mijn motor en alle bagage, mijn tweede paspoort, twee rollen belichte film en mijn computer. Ik stel escapades nog maar even uit als we uiteindelijk helemaal naar Sadao zijn gereden en ik inderdaad met twee (inmiddels ongewapende) agenten in Maleisië sta.

Ik verwacht weinig goeds van de gebeurtenissen op 9 maart, de datum waarop de huidige verlenging van het onderzoek afloopt. Ik zie niet, wat in deze 12 dagen de hele zaak zou hebben veranderd. Vooral het feit dat één week paspoort verlengen kennelijk niet genoeg is, boezemt me geen vertrouwen in. Goede vrienden van mijn ouders werken bij de Nederlandse overheid in functies die invloed hebben op de inspanningen van ambassades. We hebben dagelijks contact - in Den Haag wordt er op de zaak gelet. Ik heb ook dagelijks contact met de ambassade en vraag deze de negende maart een tolk en een attaché van Bangkok naar het politiebureau in Tamod te sturen. En vast een begin te maken met het aanvragen van een verklaring waaruit blijkt dat ik nooit eerder veroordeeld ben enzovoorts.

De heer Veen van de ambassade stelt voor, eerst eens te gaan telefoneren met Tamod om te zien hoe het onderzoek staat. De Thaise medewerkers bellen elke dag met de politie inspecteur, die onder de indruk is dat de Nederlandse ambassadeur laat bellen. Hij zegt, dat zijn schriftelijke samenvatting aanstuurt op het niet-vervolgen van de zaak. Maar hij stelt eveneens, dat noch de chef van het bureau noch de districtschef verplicht zijn dat advies op te volgen. De ambassade traceert het politie dossier de hele week, totdat het vrijdag bij een luitenant-generaal van de districtspolitie in Phattalung zal terechtkomen.

Ik heb inmiddels ontdekt dat 'wachten' tot 9 maart een slecht idee is - ik gebruik de vijf dagen die mij resten te besteden aan een bezoek aan Ko Lanta, een halve dag rijden en een veerboot reisje van Hat Yai verwijderd. Ko Lanta is een aanrader voor hen die zo'n onbedorven tropisch eiland leuk vinden: veel strand, beschermde natuur, eenvoudige hotels die goed voedsel serveren - zo'n plek om oprecht te vergeten welke weekdag het nu eigenlijk is. Ik kom er vrijdag middag aan en verken het 'park' (een beschermd natuurgebied) en neem mijn intrek in een bungalow op het strand bij 'Dream Team'. Ze hebben er zelfs hangmatten onder een rieten dakje op het strand... Veel tijd gaat heen met het schrijven van het reisverslag vanaf 4 januari 1999, maar ik vind ook tijd Sybille en haar vriend Olaf te ontmoeten. Maar ik vind Sybille veel leuker dan die vriend...

Maandagochtend verlaat ik het eiland. Zodra ik een GSM paal in zicht heb bel ik met de advocaat die ik iedere tweede dag contact heb laten opnemen met de politie. De advocaat, de heer Puttri, is veel minder effectief dan de ambassade en vanochtend is hij er niet. Rond het middaguur krijg ik de heer Veen te pakken, die een Thaise medewerker nog eens laat telefoneren naar Phattalung. Om vier 's middags ben ik in Lam Pam, nabij een enorm vogelreservaat (Thalenoi). Als ik langer in de buurt moet blijven kan ik wat vogels gaan bekijken. Maar dan komt het verlossende woord: Phattalung heeft een faxje beloofd waarin bevestigd wordt dat de politie mij, krachtens haar mandaat, in vrijheid zal stellen. Het hele dossier moet dan nog naar de Officier van Justitie, welke de macht heeft de beslissing van de politie terug te draaien. Maar de politie zal me laten gaan.

Inmiddels heeft het verhaal zoveel onverwachte wendingen, dat ik er nog niet echt in durf te geloven. Negen maart sta ik om half negen, met de tolk die niet meer vertrouw, in het politiepostje. Na een half uur komt iemand op het idee mij te vertellen dat het onderzoek is afgerond en dat ik inderdaad kan gaan. Ze zullen proberen alles klaar te hebben rond de middag. De politiechef moet gehaald worden, want die moet de cheque tekenen waarop ik mijn borgtocht terugkrijg; er moet een contract worden gemaakt dat de overhandiging van de rest van de schadeloosstelling aan de familie regelt; en er moet een verklaring worden gemaakt waaruit blijkt dat ik in vrijheid ben gesteld. En de bureaucraten werken traag - ik dood de tijd met het helpen van een agent die een oude stencilmachine aan het reanimeren is.

Om één uur sta ik als vrij man met paspoort bij de bank om een maandsalaris in een blanco envelop voor de inspecteur af te halen en om het overgebleven geld terug te sturen. Ik ga nog één keer terug om foto's te maken van de hoofdrolspelers in het drama en om de inspecteur zijn envelop te geven. Dan draai ik de gaskraan tot de aanslag open om Thailand zo snel als mogelijk te verlaten. (Zowel de advocaat als de ambassade adviseren dit, zodat ik weg ben indien de Officier van Justitie zich bedenkt.)

Thailand is ondanks alles mijn favoriete land van deze wereldreis (tot nu toe, natuurlijk). De inwoners zijn bijzonder vriendelijk, het land biedt voor uiteenlopende (reizigers)wensen mogelijkheden, het is hier lekker warm en het voedsel is een avontuur op zichzelf. Natuurlijk had ik voor 2 februari, de dag van het ongeval, wel wat gehoord over corruptie en ik had ook wel wat gemerkt van de bureaucratie, maar ik vond het niet storend. Ik heb na het ongeval dan ook vol vertrouwen afgewacht tot de politie kwam. Ik weet niet, of ik dat nog eens zal doen. In Pakistan, India, Nepal en misschien in Iran had ik me uit de voeten gemaakt.

In Thailand heeft het onderzoek naar een relatief eenvoudige zaak vijf weken geduurd. En de doorslag wordt dan gegeven door één getuigeverklaring van een rijstboer die na drieëneenhalve week door invloedrijke dorpelingen wordt opgetrommeld. En die doen dat omdat Menno en ik dreigen een computerdeal af te blazen. Mijn advocaat heeft dan de inspecteur al per telefoon een bedrag in het vooruitzicht gesteld als de zaak snel afgerond kan worden. En ikzelf heb de familie (die ook meehielp de rijstboer te vinden) de schadeloosstelling in twee delen betaald: het tweede deel alleen als de zaak afgerond zou worden. Het idee dat een sepot mij zou helpen de emotionele kant beter te verwerken, is nogal verwaterd. Mijn moeilijke bezoeken aan de drie-daagse begrafenis hebben me daarbij goed geholpen - de Thaise overheid beslist niet.

Ik maak me uit de voeten - ik pauzeer nog even onderweg om te voorkomen dat een slimmerik bijhoudt hoe hard ik van Tamod naar de grens knal. Ik verwacht opnieuw moeilijkheden bij de grens omdat het importdocument van de motor immers verlengd is op een fotokopie - het origineel is verlopen. Als ze gaan bellen naar Tamod wil ik niet, dat iemand zich verbaast over mijn reistijd.

Het kost me twee uur de grens over te steken; de vrees een beslissing te moeten nemen leidt ertoe dat ik steeds hoger in de hierarchie van de immigratiedienst opklim en telkens hetzelfde verhaal moet opdissen. Uiteindelijk mag ik weg als ik een fotocopie van mijn invrijheidstelling achterlaat. Ik laat mijn paspoort in Maleisië snel van een stempel voorzien en verstuur net over de grens via het Thaise GSM netwerk een heel kort e-mailtje. (Hier in Maleisië heb ik geen GSM toegang, helaas.)

Een traumatiserende ervaring ligt achter me - ik hoop dat, nu de politiezaak is afgerond, ik snel weer dat spontane, dat 'wereldbestormer' gevoel terugkrijg. De hekken rondom de Maleisische tolwegen zijn een geruststelling - hier geen voetgangers op vierbaanswegen. Dat de hekken me opvallen is een verandering waarvan ik verwacht geen hinder te zullen ondervinden. Maar of ik ooit nog zo lekker onbezorgd een wedstrijdje 'wie het eerst bovenop de Alpen-pas is' kan rijden...

Dit relaas schrijf ik vanuit zo'n schandelijk luxe resort op Penang. Ik zal de komende dagen naar het zuiden van het Maleisische schiereiland rijden en dan in Singapore besluiten wat de volgende bestemming wordt. Het visum voor Australië wil ik in ieder geval in Kuala Lumpur aanvragen, omdat ik in die stad toch al een paar dagen nodig heb (ambassade, american express en het postkantoor bezoeken). De adviezen niet op te geven, niet in België te gaan zitten kniezen, de wetmatigheid dat je na een ongeval weer verder moet tot en met 'je bezorgt meer mensen plezier dan je er verdriet doet' heb ik in mijn oren geknoopt. Rationeel ben ik er ook wel uit - emotioneel duurt wat langer.


terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering