terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering

Solo van België naar Australië op een BMW R1100 GS motorfiets.

Zeventiende verslag (eerste deel) - 16 december 1998 t/m 26 januari 1999...

De tocht wordt hervat

De Kerst was veel te snel voorbij - zoals gewoonlijk. Ruim voordat Carolyn en ikzelf eraan toe waren stond ik weer in Bangkok. Zondagnacht rond middernacht uit San Fransisco vertrekken en maandagmiddag in Bangkok (via Taipei, Taiwan) aankomen. Het is een langdurige kwestie, dat vliegen, maar als je dan bent aangekomen merk je pas hoe waanzinnig snel het gaat. Zeker nu ik een vergelijkbare afstand over land heb afgelegd. Bij binnenkomst krijg ik een nieuw stempel in mijn paspoort - ik mag blijven tot 3 februari.

Met het stempel en mijn invoerdocument voor de motor ga ik naar de douane, want die zijn nog een uur lang open. Ze herkennen me en de verlenging wordt door een ondergeschikte geregeld terwijl ik met het opperhoofd koffie drink in haar kantoor met air-conditioning (ik ben kennelijk toch wel weer een beetje gewend aan de 'kou' want ik zweet me te pletter in deze 35 graden warmte).

Een dag te vroeg (5 januari) kom ik bij de BMW dealer aan. De motor is nog niet helemaal af, maar dat komt niet doordat ik te vroeg ben. Ze krijgen het ding niet meer afgesteld en de motor loopt inderdaad niet erg best. Alle andere zaken zijn klaar. We lopen de hele lijst af: de normale grote beurt, de keerring van het differentieel, de lagers die de cardanas op z'n plaats houden, een nieuwe koffersteun en beugel, de koppelingshevel en de complete voorwielophanging. Kennelijk is ie vergeten dat ik ook een nieuwe accu wilde (naar aanleiding van de rokende kabelboom in Islamabad) en we monteren er één die we uit een kapot gereden K100 stelen. Ik spreek af, dat ik over vier weken terug zal komen om een nieuwe accu te halen, die vast voor me wordt gevuld en geladen.

We sluiten het speciale BMW apparaat voor de afstelling aan en de monteur toont me wat het probleem is. Het ene moment lijken de injectoren synchroon te staan om het volgende moment weer helemaal uit de pas te gaan lopen. De koolmonoxide knop lijkt helemaal niet meer te werken - er komt doorlopend teveel CO-gas uit de uitlaat. We staan er een tijdje naar te kijken als ik besluit dan maar 'iets' te doen: Ik maak één van de inlaatpoorten los. Het probleem is dan onmiddelijk duidelijk: er zit een zwarte koek op de gaskleppen, de hele poort ziet zwart van de smurrie. De gaatjes van de afstelling zijn bijna verstopt. Na een schoonmaakbeurt kan de motor weer worden afgesteld. Het CO-gas is nog wat aan de hoge kant, maar dat zal wel komen door de rommel die ongetwijfeld ook nog op de kleppen in het motorblok zit. De monteur toont me een plastic zakje met de oogst uit het benzine filter: complete insecten hebben hun weg gevonden naar het binnenste van mijn tank...

Ik betaal de (flinke) rekening en ga opgetogen op weg - Bangkok in, naar het hotel. Het voorwiel, dat ik van alle kanten heb bekeken voelt niet helemaal OK, maar ik kan niet uitvinden wat er mis is. De wielen staan tenminste weer recht achter elkaar en de motor spoort goed. Misschien komt het doordat ik inmiddels gewend was aan een scheve fiets. Ik spendeer de middag slapend hoewel dat mijn jet-lag natuurlijk geen goed doet. Maar ik heb de tijd en ik heb geen zin mezelf te pesten met oververmoeidheid. De rest van de (werk)dagen in deze week breng ik luierend door - één dag kom helemaal niet uit bed omdat ik de nieuwste Grisham aan het lezen ben.

De dag waarop ik wel uit bed kom wordt teleurstellend: ik wil de visa voor Laos, Vietnam en Cambodja regelen. Ik begin met Cambodja. Die vertellen me dat ikzelf wel een visum kan krijgen, maar dat toegang met motorfiets uitgesloten is. Een serie controle vragen ("Hoe kan ik het toch?", "Als ik het in Vietnam probeer?" en "Kan ik de consul spreken?") levert me een verbroken verbinding op. Vietnam wil niet per telefoon over het onderwerp spreken. Ik moet langskomen. Als ik dat doe vertelt men mij dat ze er niet over kunnen beslissen. Maar als ik ze 60 dollar geef zullen ze het voor me navragen in Hanoi. Ik vraag of ik dan gegarandeerd toestemming krijg, of mijn geld terug. Geen garantie, maar het geld komt niet terug. Ik vermoed dat het ambassade personeel een centje wil bijverdienen. Laos laat ik maar zitten, hun ambassade zit in een uithoek van Bangkok. Ik vind het eigenlijk wel in orde - ik heb mijn portie ontwikkelingsland in India wel gehad. Voorlopig waardeer ik de uitstekende Thaise infrastructuur en zie de slechte wegen en de corruptie niet zo zitten.

Het noorden

Op zaterdag ga ik op weg naar het noordelijk deel van Thailand. Ik vorder tot aan Lampang over uitstekende wegen. Men had me gewaarschuwd voor vrachtwagenchaffeurs met Indiase rijgewoonten, maar daar merk ik niets van. De meesten gaan zelfs aan de kant zonder dat ik toeter - ze gebruiken hun spiegels! En de remlichten van alle auto's werken ook - erg prettig, want ik kan nu weer rijden met gehoorbeschermers. In India liet ik dat achterwege, zodat ik de remmen van de vrachtwagens kon horen (bij wijze van vervangend remlicht). De wegen zijn bijna geheel vierbaans maar (gelukkig) geen tolweg, zodat ik er gebruik van mag maken. De reis gaat behoorlijk snel - ik moet een beetje wennen aan het idee een paar honderd kilometer in een halve dag te kunnen afleggen. Sinds Iran, maar vooral in India was driehonderd kilometer meer dan een dagtaak.

Het landschap is nogal eentonig - er wordt hier veel rijst verbouwd. Af en toe is een stukje grond wat dichter begroeid, maar het lijkt niet op de jungle die ik eigenlijk een beetje verwachtte. Wel is me duidelijk, dat dit land over veel water beschikt. Overal zijn rivieren, kanalen en poelen waarin van alles groeit. Meer dan eens zie ik Thailanders tot hun middel in het bruine water staan, wachtend tot er een vis in het net dat ze vasthouden zwemt. Veel van de rijstvelden zijn kaal en droog - de laatste oogst is juist binnengehaald. Op veel plaatsen wordt rijst gedroogd op de weggetjes die langs de doorgaande route liggen. De mensen die op het land werken dragen de typische strooien hoedjes die we van Aziatische plaatjes kennen.

Ik stop in Lampang, omdat ik heb gezien dat ik een heuvelrug over moet om Chiang Mai te bereiken. Bovendien heb een bord gezien: "Lampang Nature Resort" en bedenk ik dat ik eigenlijk niet veel zin heb om alweer in een stad te geraken. Het resort is erg mooi aangelegd en het is er heel rustig. De kamer is prijzig, maar na bestudering van mijn kenteken en het beantwoorden van de gebruikelijke vragen krijg ik de kamer voor de helft van de prijs. De hotel manager is nogal onder indruk. Later blijkt dat het hotel op de route van een groot aantal 'package' toeristen ligt: twee busladingen Zwitsers en Duitsers worden uitgestort en ik neem deel aan het buffet dat voor ze is aangericht. De manager 'vergeet' me te laten betalen en ik mag me gedurende de hele avond verheugen in haar persoonlijke aandacht.

De volgende (zondag)ochtend stop ik bij een olifanten school. Deze goeiïge beesten worden hier gebruikt om gekapte bomen de jungle uit te dragen. In deze school worden ze getraind, maar ook als show-dier gebruikt. Vele Thaise toeristen (met veel kinderen) zijn samen met mij getuige van olifanten die hun kunsten vertonen. Het leukste vind ik dat ze de bezoekers tussen de voorstellingen de gelegenheid geven om naar de zachtmoedige giganten te gaan. Ik doe een wedstrijdje bamboestengel trekken met een olifant die hartelijk staat te lachen omdat ie veel sterker is. Hij houdt niet eens op te eten terwijl ik van dichtbij meemaak hoeveel kracht er in zo'n gevoelige slurf steekt.

Chiang Mai wemelt van de guesthouses. Ik vind echter geen slaapgelegenheid die de overgang van de wat luxere hotels van de laatste week geen schok laat zijn. Ik neem mijn intrek in een hotel waar ze de motor op een binnenplaatsje herbergen. Ik ben mijn jet-lag nog immer niet kwijt en breng de volgende dag door met slapen en het schrijven van mijn reisverslag. Eten doe ik bij een onooglijk tentje dat door een familie bestierd wordt: ik eet er kip met gember. Dat wordt snel één van mijn favoriete gerechten.

Het probleem met het eten hier is dat ik geen flauw idee heb wat ik eet. Vele van de groenten heb ik wel eens gezien, maar ik weet niet hoe ze heten, noch waar ik het in Europa zou kunnen kopen. Citronella gras en gember worden hier alleen vers gebruikt - de poeder versies die ik thuis gebruik zijn hier 'verboden'. Met de goede ingrediënten lijkt het heel eenvoudig: een tweede zeer smakelijk gerecht heet Tom Yam. Het is een soep, die in een schaal met een schoorsteen wordt opgediend. De schaal is rond met in het midden een gat met pijp dat zorgt voor de 'trek' om het houtskool vuurtje onderin gaande te houden. Tom Yam is er in vele varianten, met kip, varkensvlees, maar ook met zeevruchten. Een halve krab, zeer grote en wat kleinere garnalen, mosselen, kleine kreeftjes en inktvis worden welhaast achteloos in wat water gegooid waarin gember, (veel) citronella gras en wat sjalotten drijven. Je wacht even en klaar is een zeer lekker gerecht.

Ik ben niet de enige met eet-problemen: de farangs kunnen niet tegen het scherpe, gekruide eten. (De Thailanders noemen buitenlanders 'Farang'. Het is geen scheldwoord, slechts een aanduiding. Natuurlijk spreken ze het uit zoals een Aziaat dat betaamt: 'faLang'...) Vele farangs laten hun voedsel staan omdat ze het te heet vinden om te eten en de dapperen klagen over ingewanden die van streek raken. Gelukkig ben ik er goed tegen bestand, dankzij de Indonesische kookkunsten van mijn moeder.

Ziek

Mijn plan is om dinsdag 12 januari de gouden driehoek te bezoeken. De avond ervoor ga ik op stap om een maaltijd te bemachtigen. Maar het is nog vroeg en in één van de kroegen kom ik wat lui tegen die ik al eerder had ontmoet. Het is happy-hour en we hebben het warm... Na een paar uur gaan we eindelijk eten - de groep is inmiddels enigzins van samenstelling veranderd. De nieuwelingen geven nog een rondje bier en we bestellen onze maaltijden. Ik houd het op eenvoudige Khao Pat (gebakken rijst, zoals de Indonesische nassi) met garnalen. Het wordt in heel Thailand geserveerd met komkommer en een halve limoen.

We zitten buiten (alles gebeurt hier in de open lucht, langs de straten). Er komt een klein, vies meisje naast me zitten - ze wil geld. "Om te eten", zegt ze. In haar hand heeft een stukje gedroogde vis. "Neem maar van de khao pat", zeg ik. Dat wil ze niet, afgezien van de komkommer, die ze wel opeet. Ik vraag haar wat ze in haar hand heeft en ik krijg wat van de gedroogde vis. Het smaakt niet erg lekker, maar ik heb het tenminste geprobeerd.

Er komt een Tuk-Tuk aanrijden, hopend een 'vrachtje' te kunnen oppikken. De chauffeur stapt uit en ik ga op zijn plaats zitten. Ik vraag hem hoe ik de tweetakt motor start en hoe deze kruising tussen auto en motorfiets bestuurd dient te worden. Het ding heeft een koppeling- en een rempedaal, een versnellingspook (tussen de benen van de bestuurder), maar een stuur als een motorfiets. Aan het stuur zit de gashandle. Ik start en voordat mijn toch wat benevelde geest het in de gaten heeft ben ik alleen op weg in de tuk-tuk van iemand anders in een vreemde stad, rijdend aan de linkerkant van de weg. Ik rijd een klein rondje: zo'n tuk-tuk gaat wel hard door een bocht, maar dreigt wel onmiddelijk om te vallen. Zonder ongelukken retourneer ik het vehikel, maar de eigenaar is inmiddels whisky aan het drinken met de andere chauffeurs. Hij is alleen nog niet dronken genoeg om geen geld voor het ritje te willen...

Het bier is hier verpakt in flessen van 650 milliliter. En omdat ik altijd de lokale brouwsels drink, is het vanavond Chang (olifant) avond. Thailand heeft twee lokale merken: Singha en Chang. Onder licentie worden gebrouwen: Heineken (waar op deze wereld is geen Heineken?), Carlsberg en Kloster (een Duits bier). Het Chang bier blijkt iets sterker dan alle anderen: bijna zo sterk als Duvel. Maar ik heb vooral veel lol en nog veel meer dorst...

Er komt een Duitser bij ons zitten en we nemen er nog één. De Duitser heet Martin en meldt dat ie in de buurt aan het motorrijden is. Morgen gaat ie naar het uiterste noorden, naar de gouden driehoek. Een plan is snel gemaakt, hoewel Martin minder matineus is dan ik: om 10:00 uur zullen we samen op pad. En da's erg laat voor mijn doen, maar een dag of wat samen rijden met iemand die thuis met een 900cc Kawasaki het noordelijk deel van het Zwarte Woud onveilig maakt, is erg aantrekkelijk. Hij heeft een 250cc off-the-road motortje gehuurd.

Ik word 's nachts ziek. Het kan van dat visje zijn, maar eerlijk gezegd denk ik dat de hoeveelheid bier er wat mee te maken kan hebben. Hoe dan ook, Martin is zichtbaar teleurgesteld als ik om 10:00 uur moet laten weten dat mijn lichaam veel overeenkomsten heeft met een natte vaatdoek. Ik besluit niet te gaan rijden. We bekijken elkaars brommers nog even en Martin voegt mij toe dat de 250cc een blijere brommer is omdat zijn baasje minder hard zuipt. De 250cc mag vandaag rijden, de 1100cc wacht geduldig nog een dag. Ik blijf het grootste deel van de dag ik bed. En Chang bier schrap ik van mijn dieet.

Wel of niet naar Laos?

De volgende dag ben ik weer kiplekker en om acht uur startklaar. Ik volg de wegen op mijn kaart naar het noorden. Kennelijk is sinds de productie van deze kaart iedere weg verbreed, of tenminste van nieuw asfalt voorzien. Het is een prachtige weg en ik krijg alle gelegenheid om me heen te kijken. Naarmate ik dichter bij Myanmar (dat heette vroeger Birma en de lokalen noemen het nog steeds zo) wordt het terrein steeds heuvelachtiger. En op heuvels kun je niet zo gemakkelijk rijst verbouwen - de natuur is hier ongerepter dan elders. Grote bomen worden afgewisseld met bamboe. Opvallend is dat de boomstammen niet zichtbaar zijn. Pal naast de weg groeit wat laag spul, dat gaat over in bamboe of klimplanten en daarna de bomen. Het ziet er ondoordringbaar uit: vanaf de weg kijk je tegen een wand van bladeren aan.

In de wat vlakkere stukjes wordt wel rijst verbouwd en daar tref ik ook dorpjes aan. Ik bestel mijn lunch in een strooien hut ergens in de negorij. Terwijl ik wacht op mijn (ja, alweer) Tom Yam probeer ik mijn GSM telefoon. En die blijkt te werken - moest haast wel met zoveel rood-witte palen in het landschap. Ik heb nog niet eerder een GSM netwerk gezien dat zo dicht was. En zelfs een dataoproep naar België vindt zonder problemen doorgang. Internetten vanuit een rieten hut - Thailand is op merkwaardige wijze ergens tussen ontwikkelingsland en ontwikkeld land blijven steken en de economische crisis houdt dat nog even zo.

In Thailand is het gebruikelijk iemand te begroeten met een glimlach. Het is een ongelofelijk kleine moeite, maar maakt het omgaan met andere mensen zoveel prettiger! En de Thailanders in het noorden gaan nog iets verder: de glimlach wordt hier breder als je ze ook met een glimlach begroet. Men lijkt hier oprecht verheugd over de komst van een vreemdeling. De gastvrijheid is enorm, al wordt je door sommigen wel wat aangestaard omdat ze gewoon niet aan farangs gewend zijn. Maar ik ben het staren allang gewend en het stoort me niet meer. Kortom: ik heb het geweldig naar mijn zin - Thailand is zonder enige twijfel mijn favoriete land.

Een goede weg is prettig, maar nauwelijks een uitdaging. Ik neem dus de eerste de beste afslag en ga op verkenning uit. In korte tijd zit ik op 1600 meter hoogte en is de temperatuur gedaald tot 23 graden. Een bijzondere ervaring na zoveel warmte in de laatste weken. Het is een beetje jammer, dat de weg doodloopt en ik moet omkeren. Ik vervolg mijn tocht naar het uiterste noorden, naar de grensovergang met Birma, waar ik eigenlijk Thailand binnen zou zijn gekomen als dat land me had toegelaten. De grensovergang is natuurlijk niet interessant en snel maak ik me uit de voeten richting de Mekong rivier. Nu lukt het beter met de kleine weggetjes: ik rijd urenlang over de Thaise oever van de rivier, Laos (aan de overkant van de rivier) inkijkend.

Af en toe komt er met heel erg veel kabaal een 'long-boat' met passagiers voorbij. Zo'n long-boat is een zeer langwerpige houten boot met achterop een grote motor. De motor zorgt voor de aandrijving via een een hele lange as met een schroef, die in het water ligt. Op zich niets nieuws, maar deze motoren staan op een soort kogelgewricht en worden door de bestuurder in positie gehouden. Sturen doen ze door de hele motor te draaien. Een roer ontbreekt, derhalve. Er zijn motoren die speciaal voor dit doeleind zijn ontworpen, maar het zijn de 'eigenbouw' machines die de show stelen. Ik zie zescilinder automotoren die zonder uitlaat een boot met enorme vaart voortstuwen over deze grote rivier.

Inmiddels heb ik zoveel van Laos gezien dat ik er eigenlijk toch naartoe wil. Ik strijk neer in Chiang Khong. In deze plaats zijn visa beschikbaar en er is een grensovergang. Ik vind onderkomen in een guesthouse dat gevestigd is in een traditioneel Thais huis. Op palen, helemaal gemaakt van hardhout. De vloeren zijn in het midden en aan de beide zijkanten ondersteund. Maar het hardhout is dusdanig veerkrachtig dat erop lopen resulteert in vibraties door het hele huis. Ik vrees het ergst voor mijn nachtrust, omdat het guesthouse een flink aantal kleine kamertjes heeft, allen op diezelfde houten vloer. Ik ontmoet twee Nederlanders die hier ook logeren. We besteden de avond met praten over de onze wereldreizen. Morgen zullen de beide hun paspoort met het visum voor Laos krijgen. Ze zullen direct erna de Mekong oversteken.

Ik heb inmiddels uitgevonden dat een visum voor mijzelf hier niet moeilijk is, maar dat voertuigen overzetten reden voor bijverdienen is. Men wil honderd dollar hebben voor de overtocht plus het papierwerk aan de grens. "Dat papierwerk kan ik zelf wel, wat kost alleen de overtocht?" Nog steeds honderd dollar. Ik ga eerst maar eens te voet naar de aanlegsteiger om te zien waarmee ze me zullen overzetten. Ik heb vermoedens dat ze van plan zijn dat met een long-boat te doen en dat ik pech heb als mijn motor in de rivier belandt. Er ligt een roestige veerpont, maar alle mensen worden overgezet met de long-boats. Ik vraag iemand of de veerpont vaart en krijg een antwoord dat alles tussen "ja", "misschien" en "nee" kan zijn.

Ik zie een 250cc motorfiets staan. Het is die van Martin - hij zit net te lunchen. Ik maak weer eens gebruik van het feit dat ik op deze wereldreis kan doen en laten wat ik wil: we gaan, vanmiddag nog, samen een stukje rijden. Martin is erg opgetogen dat ie me weer ziet - volgens mij bevalt het alleen reizen hem niet zo goed. We volgen de Mekong een tijdje, om daarna af te buigen naar het zuiden. We kiezen een weggetje (Martin heeft een hele goede kaart) dat ons door bergachtig gebied leidt, langs een paar dorpjes.

Godsdienst vrijheid

Hier begint voor mij het echte Thailand. Misschien moet ik zeggen: het oude Thailand. Hier op het platteland heeft de tijd stilgestaan. Mensen wonen allen in tradionele huizen op palen. Water om te drinken en te wassen staat in grote aardewerken potten naast de huizen. Naakte kinderen spelen op de stoffige weg. Dorpelingen kijken ons langdurig na, alsof we de eerste farangs op brommers zijn. Er wordt wat rijst verbouwd, sommigen verzamelen de pluimen van het riet dat hier overal groeit. De natuur is ongerept: ik zie hier van alles door elkaar groeien. De diversiteit is veel groter dan de andere stukken jungle die ik heb gezien. En opnieuw heeft de natuur ieder beschikbaar plekje voorzien van groen. Er zijn geen electriciteitspalen en ik verdenk de dorpelingen er niet van dat ze allemaal een generator onder het huis hebben staan. Wat een contrast: Hamburgers eten bij een Amerikaanse franchise in Bangkok en een twee weken later semi off-road rijden door ontontwikkeld gebied!

We rijden nog een uur of twee, totdat we weer in het midden van de vlakte zijn die het noorden van Thailand domineert. We komen terecht in een plaats die kennelijk niet door toeristen wordt bezocht. We nemen er twee hotelkamers in het duurste hotel van de stad. Voor onze 150 bath (4 dollar of 8 gulden) krijgen we een echte Thaise kamer: een bed met alleen een onderlaken en een deken die door iedere bezoeker (zonder wasbeurt) opnieuw gebruikt wordt, een badkamer zonder warm water, een voetstap WC zonder papier maar met handdouche en een ventilator aan het plafond. Ik vraag om extra lakens en een handdoek voor elk. Het plaatsje ligt aan een meer en wij gaan eten aan de oever. We zoeken het drukste restaurant op en we worden niet teleurgesteld: Martin probeert eerst iets Thais, maar zwicht daarna voor de gebarbequede kippen.

Dan is het ongeveer mijn bedtijd, maar Martin stelt voor een club op te zoeken. Daarin slagen we wonder boven wonder. Een transseksueel staat uitdagend te doen op een podium terwijl hij/zij knalharde muziek ten gehore brengt. Langzaam loopt de tent vol en als de zaak goed op gang is hebben wij genoeg herrie gehoord en wandelen we terug door nachtelijk Phayao.

Eigenlijk hebben we de rit niet erg best voorbereid. Martin moet morgen terug zijn in Chiang Mai, en da's niet zo ver meer. We moeten alleen nog de rest van het platteland oversteken. Er ligt nog een kleine heuvelrug op onze weg, maar dat is alles. We zijn vroeg op pad en om half negen staan we al boven op de heuvelrug gebakken kip te eten bij wijze van ontbijt. Als reiziger wordt je steeds minder kieskeurig ten aanzien van welke gerechten op welk tijdstip beschikbaar zijn. Je eet gewoon wat er is.

Nog voor het middaguur staan we in Chiang Mai en we gebruiken de tijd om eens een hele grote Wat te bekijken. Een 'Wat' is een Bhoeddistische tempel - ten westen van Chiang Mai ligt Wat Doi Suthep. Het is een grote tempel met een goed uitzicht over Chiang Mai. En: omdat we niet veel tijd hebben moeten we een beetje doorrijden over de haarspeldbochten bij de beklimming van de berg. We slalommen tussen de vele met farangs gevulde minibusjes door. Ik kan aan de rijstijl van Martin zien dat ie thuis een Kawa heeft waarvan de banden helemaal rondom afslijten. Het arme 250cc-tje moet erg hard werken. De Beierse koppel-beul van mij heeft er ook plezier in - eindelijk weer eens gummen na al dat bedaagde gedoe. Boven aangekomen parkeren we de motoren bij alle andere brommertjes en beginnen aan de beklimming van de hoge trappen naar de Wat.

Ik ben nogal onder de indruk van het Bhoeddisme. Het is eerste keer dat ik een (succesvolle) religie zie die zonder kerk-hiërarchie functioneert. Een Bhoeddist is op zoek naar de Verlossing (Nirvana) zonder de hulp van geestelijk leiders die 'm vertellen wat mag en niet. Mijn probleem met de meeste religies is dat er altijd een dominee, pastor, imam, guru of andere geestelijke is die het allemaal precies voor de anderen bepaalt. Maar al te vaak zie ik imam's oproepen tot een Jihad over een stuk land dat volgens mij niets met geloof, maar meer met macht te maken heeft. Of ik hoor militante Ierse dominee's die vinden dat Katholieken beter uitgeroeid kunnen worden. De vermenging van wereldlijke en kerkelijke macht zal in Bhoeddisme niet snel optreden. En dat staat me wel aan.

Het dikke gouden manneke is ook hier weer aanwezig. Naast het beeld zit een monnik - aan hem kunnen zegeningen worden gevraagd. Ik had gelezen, dat je je schoenen uit moet trekken en je voeten immer naar achteren gericht moet houden in de aanwezigheid van de Bhoedda. Bovendien hoor je op je knieën te zitten. Er is daartoe voorzien in een dik tapijt - de aanwezige Thailanders knielen eerst en schuifelen dan naar voren. Ze hebben een lotusbloem en twee staafjes wierook tussen hun handen waarmee ze een wai maken. Een 'wai' gaat als volgt: het is een bidgebaar, de geopende handen tegen elkaar, de wijsvingers ter hoogte van je neus. Je hoofd maakt een soort knikje en je sluit je ogen. De bloem en de wierook worden daarna in een soort houder gestoken.

Iedereen loopt op blote voeten (of kousevoeten), want men laat je er niet in met schoenen. Zoals bij de Taj Mahal in India komen die gigantische motorlaarzen van mij weer apart te staan omdat ze niet in een gewoon schoenenvak passen. Binnen hangt een bordje (in het Engels) met het verzoek de Bhoedda uitstuitend zittend te fotograven. Als de Thailanders weg zijn en ik me op een hoekje van het tapijt heb teruggetrokken om het hele tafereel eens goed in me op te nemen komen er een paar (Engelse) toeristen binnen.

Ze knielen niet, maar lopen straal langs de monnik en langs de centrale plek waar de wierook en de bloemen staan. Ze trekken een camera en gaan aan de slag. Ik bijt op m'n lip - als iemand in de Anglicaanse kerk het altaar ontheiligt zou het deze mensen wel zijn opgevallen. De monnik vertrekt geen spier. Hij ziet het wel, maar zegt niets. Misschien is ie al gewend aan dit soort onwetendheid. Ik wacht af wat er gebeurt. Misschien is de monnik de mening toegedaan dat de bezoekers het voor zichzelf moeten uitmaken. De toeristen gaan weer weg.

Een tweetal jonge Thailanders komen binnen. Ze maken een wai naar de Bhoedda en richten zich dan tot de monnik. Ze willen een zegening. En dan doet de monnik iets bijzonders: net voordat ie een soort bezempje van riet in een bakje met gewijd water doopt, gebaart hij me dichterbij te komen. Hij wisselt een paar woorden met de Thaise aanwezigen, prevelt wat en besprenkelt ons met het water. En zo wordt ik gezegend door een Thaise monnik en het doet me nog wat ook.

Nog meer gummen

Nu we ervan geproefd hadden moest er meer gegeten worden. In een soort gek, onverstandig, maar wel leuk plan besluiten we ook nog even naar het hoogste punt van Thailand te rijden. Dat ligt zo'n 110 kilometer van Chiang Mai, maar doordat we het verkeerd uitrekenen denken wij er na 70 kilometer aan te komen. We komen dus in lichte tijdnood maar hebben een oplossing: scheuren. En opnieuw gaat het in behoorlijke vaart een berg op. Dit keer tot 2400 meter, waar het zelfs in de tropen nog maar 16 graden is... Op zich was er weinig te zien: het graf van (ik geloof) de vijfde koning van Thailand tegenover een communicatie toren die je beslist niet mocht fotograveren.

Bij aankomst terug in Chiang Mai constateert Martin dat zijn motorband, die nieuw was toen de huurperiode begon, wel vervangen kan worden. Doodmoe neemt hij afscheid - morgen gaat ie weer naar Freiburg, Duitsland. Ik ga maar weer naar hetzelfde hotel - alle pensions zitten vol of zijn smerig.

Jungle

De volgende avond (een zaterdag) wandel ik wat langs de stalletjes dichtbij de markt in het centrum van Chiang Mai. Tegenover een kroeg waar veel reizigers uithangen staat een karretje met gebakken kip. En Lieve uit België, die ik heb ontmoet in Iran, staat er kip te kopen! Wat een toeval! Iran ligt vele, vele kilometers en vier maanden achter ons en toch lopen we elkaar weer tegen het lijf. Peter zit in de kroeg, samen met nog twee anderen. We gaan samen eten en praten de hele avond over onze ervaringen - het wordt erg laat.

De volgende dag vroeg vertrekken zit er dan ook niet in: ik vertrek na het middaguur naar een klein plaatsje nabij de Birmese grens, dit keer meer naar het westen. In Pai aangekomen blijkt dat vele, vele farangs een motortje huren en de zogeheten Mae Hong Son route rijden. Het hele dorpje is vol met pensions en een soort toerist die wel individueel reist, maar die net geen wereldreiziger zijn. Ik generaliseer natuurlijk, maar het exemplaar van 20 jaar dat naast me komt zitten opscheppen over zijn Zuid-Azië studie en zijn drie maanden lange verblijf in Thailand spant de kroon. Hij spreekt geen Thais, of één van de andere lokale talen, hij is nog niet in Laos, Vietnam of Cambodja geweest, en hij kraamt allerlei onzin uit die hem wel wereldwijs lijkt. De andere aanwezigen zijn het met iedere onzinnige uitspraak eens (of nemen niet de moeite hem van repliek te dienen). Gelukkig komt een enorme plensbui me verlossen van het clubje zwevende jongelingen.

Ik wil graag meer 'authentiek' Thailand zien en rijd daarom de volgende ochtend vanaf Pai de jungle in. Ik heb in Chiang Mai net zo'n kaart als die van Martin gekocht, en ik weet nu dus dat ik deze dag off-road zal spenderen. Ook de onverharde wegen hier in Thailand zijn uitstekend berijdbaar. De weg is mooi vlak, gemaakt van klein gravel en is met walsen vastgereden. Er zijn afwateringskanalen om te voorkomen dat de regen de toplaag van deze 'piste' wegspoelt.

Na anderhalf uur door de jungle te hebben gereden betrekt de lucht plots. Als ze hier 'regen' zeggen, dan hebben ze het beslist niet over druppeltjes. Een gordijn van water komt opeens op me af en voordat ik kan afstappen voel ik het water al in mijn ondergoed lopen. Ik wacht tot het ergste voorbij is terwijl ik nog veel natter word. Het leuke is, dat het niet onplezierig is. Je wordt wel nat, maar niet koud. Het regent immers lauw water.

Dankzij dezelfde kaart weet ik, dat na het plaatsje Wat Chan (waar een tempel en een klooster zijn gevestigd, vandaar 'Wat') de weg smaller wordt en dat ik in zeer bergachtig terrein zal terechtkomen. Kortstondig overweeg ik terug te keren, vanwege de regen, maar dan begint de zon alweer te schijnen en droogt alles razendsnel op. In Wat Chan is het tijd voor ontbijt/lunch. Ik bestel mijn normale ontbijt, een kommetje noodle soep bij een stalletje middenin het dorp. Iedere voorbijganger, de monniken incluis, stoppen om de grootte van de motorfiets te bewonderen. Na een tijdje duikt de Engelse lerares op en nog wat later sta ik weer voor een klas met verlegen kindertjes.

De mensen zijn overwegend leden van de Karen-stam, zo vertelt de lerares mij. En die minderheid, die haar oorsprong heeft hier tussen Thailand en Birma, wordt behoorlijk gediscrimineerd. De school waar ik te gast ben ontvangt geen geld. Het dorpshoofd is vorig jaar vermoord door onbekenden en de politie zou de daders beschermen. Een aantal maanden geleden is gratis voedsel uitgegeven onder de bevolking, waarna een paar honderd mensen in het ziekenhuis terechtkwamen met vergiftigings verschijnselen. Veertig mensen hebben het niet gered. Ik sta paf over zoveel ellende waar ik nog nooit eerder iets over heb gehoord. Ik ben eerlijk gezegd ook niet helemaal zeker van de motieven van de lerares, die me al deze verhalen spontaan verteld. Ik verwacht een vraag om een donatie voor de school, maar die blijft uit.

Vlak nadat ik Wat Chan verlaat is het inderdaad gedaan met de mooi aangelegde piste. Ik rijd over een soort bospaden en regelmatig moet ik duiken om te voorkomen dat mijn helm in botsing komt met de begroeiing. Het is het mooiste stuk Thailand tot nu toe. Het bos is in haar oorspronkelijke staat, omdat het terrein erg ontoegankelijk is. De Karen-stam leeft van de opbrengst van houtverkoop en kleinschalige akkerbouw. Er wordt veel moeite gedaan de mensen van het verbouwen van opium te weerhouden. Dat zou ook wel eens een verklaring kunnen zijn voor het geweldadige verhaal van de lerares.

De paden zijn over het algemeen droog, maar dragen de sporen van overvloedige regenval. Op sommige plaatsen heeft het water diepe sporen getrokken en rijd ik over dertig centimeter breed zand tussen de 'beekjes' die nu droog zijn. De aarde is rood en klei-achtig. Af en toe haal ik brommertjes in die door hun berijders tegen de bergpaden worden opgeduwd. Het terrein is verschrikkelijk steil, maar dat maakt me niet uit: mijn motor is goed afgesteld en de kwaliteit van de benzine is uitstekend. Geen herhaling van Jordanië, toen de hele motor twee meter naar beneden stortte. De afdalingen zijn wat lastiger, maar met de in Pakistan opgedane ervaringen gaat het eigenlijk perfect. Ik concentreer me op de omgeving - het geeft me een enorme kick hier in mijn uppie doorheen te rijden.

Maar het is iets te mooi om waar te zijn: na een piek van 1800 meter hoog kom ik een dal waar het vanochtend ook heeft geregend. Het pad is blubber en ik moet naar beneden over zo'n voet-breed spoor. Dat gaat een hele tijd goed, totdat ik tijdens zo'n afdaling moet remmen voor een bocht. De motor raakt van de richel en in een reflex steek ik mijn been uit om het ding op te vangen. Ik denk dat de motor, de bagage en ikzelf tezamen ongeveer 400 kilo wegen. En da's teveel voor mijn knie. Als ik probeer op te krabbelen voel ik een scherpe pijn in mijn kniegewricht. Gelukkig is de zijkoffer alleen losgeraakt zonder iets te beschadigen.

Ik wacht een minuut of vijf en kan dan in ieder geval weer staan. Ik vind het nog belangrijker dat ik nog kan schakelen met de voet die vastzit aan het beschadigde knietje. Welgemoed ga ik op weg en denk er goed vanaf te zijn gekomen omdat de knie niet zwelt en al rijdend niet zeer doet. Ik rijd nog een uur of twee totdat ik de wildernis weer inruil voor de asfaltweg naar Mae Hong Son. Slapen blijkt alleen mogelijk als ik de knie op een kussen leg. Iedere beweging maakt me wakker en de nachtelijke gang naar het toilet is een marteling. De hele dag blijf ik in het pension met mijn been omhoog. Ik wordt heerlijk verwend door de gastvrouwen die een beetje medelijden hebben met mijn pijnlijke gezicht als ik me probeer te verroeren.

Op woensdag 20 januari denk ik dat het wel weer gaat en vertrek ik naar een volgende stam: de Long-necks. Deze mensen, oorspronkelijk uit Birma maar vandaar gevlucht naar dit grensgebied in Thailand, dragen koperen ringen om hun nek. Niet een paar, maar totaan de kin. En iedere drie jaar doen ze er een ring bij, hetgeen hun nekken uitrekt. Eigenlijk duwt het hun schouders en sleutelbeenderen naar beneden, maar het effect is dat deze mensen een bijzonder lange nek lijken te hebben. Ze zouden de verwijdering van de ringen niet overleven omdat de nekspieren van deze vrouwen het hoofd niet meer kunnen torsen.

De weg naar het dorpje, waar bijna alle toeristen een bezoek afleggen, is deels onverhard. Er zit zelfs een diepe rivier doorwading tussen die door de four-wheel drive auto's zonder probleem wordt genomen. Het dorpje is een tourist-trap. De mensen die terugkomen zijn zonder uitzondering teleurgesteld en noemen het een menselijke dierentuin. Ik besluit niet te gaan, ook omdat ik de rest moet lopen. En tijdens de rit heb ik een paar rare bewegingen moeten maken - mijn knie is me dankbaar omdat we weer teruggaan.

Donderdag 21 januari steek ik opnieuw de bergrug over, opnieuw over een piste. Men is echter druk doende de piste van asfalt te voorzien en ik heb de meeste tijd een makkie. Ik kom weer langs Doi Inthanon (Thailand's hoogste punt) en neem nu de tijd om de Wat op 1800 meter hoogte te bekijken. Het wemelt hier van de bustoeristen, die zich verbazen over het feit dat je vanuit Europa ook per motorfiets naar Thailand kunt. Ik ontmoet zelfs een paar Nederlanders die hier al voor de tiende (!) keer zijn. 's Avonds slaap ik in Chiang Mai.

Liefdadigheid

In december, voordat ik naar Californië vloog, heb ik Bill Hall ontmoet in het hotel in Bangkok. Hij heeft een Apple Powerbook lap-top computer waarop hij verhalen schrijft. Die verhalen stuurt hij vervolgens per e-mail naar bekenden ongeveer zoals ik dat doe. Maar Bill moet alles twee maal doen, omdat er geen mogelijkheid is de Apple te laten samenwerken met de Windows PCs in een cybercafe. Ik heb een uurtje met zijn machine en de Apple homepage gespendeerd om uit te vinden hoe ik de Apple machine DOS diskettes kan laten aanmaken. Was die Apple computer die we bij Dupaco precies twee weken nuttig hebben gebruikt, toch nog ergens goed voor. Ik heb dezelfde puzzel al eens opgelost voor dat ding.

Bill vertelde me wat hem naar deze oorden voert: Bill is docent Engels, maar al geruime tijd (vervroegd) gepensioneerd. Vlak na zijn pensioen is hij gaan reizen, onder meer naar Thailand, Vietnam en China. Hij is ook in India geweest - al snel ging het gesprek in december over de misstanden in de Indiase samenleving. Bill vertelde me dat deze situatie hem heeft aangespoord er actief iets aan te doen. "Ik stuur", zo vertelde hij, "een cheque naar de familie van een kind dat me is opgevallen tijdens één van mijn reizen". Als hij een kind ontmoet waarvan hij denkt dat het moeite waard is, dan zoekt hij de ouders op en probeert (met hulp van dollars) de ouders het kind naar school te laten sturen. Een bedrag van vijftig dollar is in Vietnam al genoeg om een gezin een maand lang gaande te houden.

Ik moet gelijk denken aan de twaalfjarige Channu uit Mumbai: nooit naar school geweest maar wel Engels spreken terwijl ze waaiertjes van een kwartje per stuk verkoopt. Ik vond het doodzonde dat zo'n intelligent kind geen kans op scholing zou krijgen omdat ze nu éénmaal in de verkeerde wieg had gelegen.

Als tegenprestatie verlangt Bill een brief. Iedere maand opnieuw. Geen brief - geen geld. Hij is er erg strikt in en de ouders gaan na de eerste maand zonder geld niet vaak meer de fout in. Het lijkt dus erg op Foster Parents Plan, maar er is een verschil. Bill betaalt alleen geld aan de kinderen en niks aan overhead. De reizen en de accomodatie zijn low-cost en worden niet betaald uit de donaties die hij ontvangt. Recentelijk is er een artikel over hem in een krant verschenen en dat leverde zomaar 6.000 dollar op aan spontane giften. Maar dat was éénmalig en maakt het niet mogelijk zijn initiatief uit te breiden. We brainstormen wat over methoden om geld te organiseren en ik laat Bill achter met de belofte dat ik erop terugkom.

Ik heb een e-mailtje gestuurd naar De Telegraaf. Mijn plan is als volgt: deze krant publiceert mijn reisverhaal in wekelijkse afleveringen maar betaalt mij daar niet voor. In plaats daarvan wordt bij iedere aflevering een klein kadertje opgenomen met Bill's verhaal in het kort, met een bankrekeningnummer. Later zal de boekhouding (Bill voert een uitgebreide administratie waarin hij alle uitgaven verantwoordt) gepubliceerd worden en kan ik de verhalen van Bill of die van de kinderen vertalen en naar de krant sturen.

Bill stuurde me e-mail toen ik in Mae Hong Son was. Hij schrijft dat ie aan het werk is in een school nabij de grens met Laos - de omgeving die Martin en ik hebben doorkruisd. Hij geeft een korte beschrijving van de plaats waar ie verblijft en stelt dat het waarschijnlijk niet op de kaart te vinden is. Maar ik heb een goede kaart en vanuit Chiang Mai is het slechts een halve dag rijden. Er is geen tijd mijn bezoek aan te kondigen; ik gok erop dat Bill er inderdaad is.

Vlak na de middag kom ik aan in het dorpje. Mijn taalgidsje geeft me geen Thais woord voor 'school' en ik vind niemand die ook maar één woord anders dan Thais spreekt. Uiteindelijk begin ik alle straten van het dorpje af te rijden en vind ik de school. De docenten kennen geen Mr. Hall, maar ze begrijpen dat ik een farang zoek die Bill heet. Bill's 'dochter' wordt gehaald. En mij wordt uitgelegd waar Bill woont. Er staat een splinternieuw huis in het dorp - dat van Bill, een Thaise vrouw en twee kinderen. Bill is niet thuis - naar Chiang Khong om een visum voor Laos te regelen. Hij wordt om vier uur terugverwacht. Ik rijd een flinke ronde over het Thaise platteland en ben om vier uur terug. Bill is er nog niet, waarschijnlijk met de bus van vijf uur. Ik duik de jungle in en rijd een kleiner rondje pal langs de grens met Laos over onverharde wegen.

Als ik me om half zes weer meld is ie er nog niet, maar men vraagt mij binnen plaats te nemen en te wachten. Bill is erg verrast als ie mij in zijn woonkamer aantreft. De grote televisie met satelliet ontvanger wordt wat zachter gezet en we praten over zijn werk hier in de school. Ik krijg het gevoel dat zijn inbreng in de plaatselijk school wel meevalt en dat hij niet graag praat over de kinderen in de andere landen. Driemaal poog ik het gesprek in die richting te leiden voordat ik het opgeef. Ik vraag hem mij wat informatie te sturen over de kinderen in andere landen en één of meerdere van zijn reisverhalen. Ik vertel over mijn e-mail naar het dagblad en dat ik nog geen antwoord heb ontvangen. We eten de maaltijd die de vrouw des huizes voor ons bereidt en ik verlaat Bill rond negen uur. Ik wacht de e-mailtjes van Bill en De Telegraaf wel af voordat ik probeer een conclusie te trekken.

Het eerste tropische eiland

Menno heeft zijn vakantie inmiddels vastgelegd: 11 februari verwacht hij op Phuket aan te komen. Ik mag in Thailand blijven tot 3 februari - ik ben immers het land niet uitgeweest (naar Laos, Vietnam of Cambodja). Ik kan een verlenging krijgen voor acht dagen maar dat is niet genoeg. Ik moet dus het land uit en dan terugkomen met een nieuw stempel dat weer dertig dagen geldig is. Maleisië is voor mij de enige mogelijkheid, want ik moet het land uit met motor en al. Voorlopig heb ik nog twee weken - er is geen haast geboden.

Ik wil graag naar zee - sinds Goa, India heb ik al niet meer in het zoute water gelegen. Na mijn ontmoeting met Bill begin ik zuidelijk te rijden. Het lijkt wel of de Thailanders al het geld van de economische gouden tijd tot 1997 in wegen aan het steken zijn. Vanaf Chiang Kham tot Nan (een uur of vier lang) rijd ik andermaal over nieuwe, goed aangelegde wegen.

Dit is opnieuw een bergachtige streek, maar de vegetatie is anders. Dit is geen wild bos, maar opnieuw beplant. Het haalt het niet bij de jungles die ik eerder zag: de heuvels zijn van slechts drie verschillende boomsoorten voorzien. Andere heuvels zijn nog helemaal kaal - alleen wat grassoorten maken het groen. De ontbossing van Thailand is ooit op grote, grove schaal aangepakt. En nu ontstaan de problemen: erosie en water tekorten. Vandaar dat er nieuw bos wordt geplant, maar de weg terug is een zeer lange. En het weer werkt ook al niet mee: de natte periode was niet nat genoeg, afgelopen jaar. En nu, tijdens de droge periode regent het af en toe, maar niet genoeg om de reservoirs te vullen. Noord-Thailand beleeft een droogte. De tweede rijstoogst van dit jaar is op vele plaatsen verboden - vandaar dat ik zoveel droge rijstvelden zie.

Na een tijdje nieuwe wegen en ongeveer hetzelfde landschap waag ik nog eens een poging GPS-navigatie. Na twee uur ben ik van de kaart gereden en heb ik werkelijk geen idee waar ik uithang. De borden langs de weg hebben voor mij geen leesbare teksten meer en de bevolking begrijpt me niet. Ik volg de inmiddels onverharde wegen en hoop het beste van die "sensitive border area's" die op mijn kaart staan aangegeven. Het is een goeie kaart, maar nu pas zie ik dat lengte- en breedtegraden ontbreken. Juist als ik ze nodig heb! Na een hele lange tijd onzekerheid stuit ik op een plaatsje dat op de kaart staat. Ik ben in Sali. Om hier weg te komen moet ik door zo'n bestreden gebied. Maar omkeren spreekt me ook niet aan - ik heb een broertje dood aan twee keer dezelfde weg rijden.

Maar goed ook, want ik ben nu zo ver van de bewoonde wereld dat de houtvesters hier geen kans hebben gehad. Opnieuw wordt ik getrakteerd op een rit door de groene massa. De onverharde weg is goed berijdbaar en ik heb het weer helemaal naar mijn zin! Ik had alleen even benzine moeten kopen in Sali, want de brandstofvoorraad slinkt snel en ik moet nog een heel eind. Juist als ik overweeg de benzine uit de brander in de tank te kieperen ontwaar ik een 'pompstation': twee oliedrums, één met diesel en één met benzine met daarbovenop een handpomp met kijkglas. Ik koop vijf liter en de pomphouder gelooft niet dat dat allemaal in mijn tank past. Hij moest eens weten...

De heuvels gaan over in het platteland vlak nadat ik terugben op een asfaltweg. En het wordt warm, erg warm. Ik meet rijwind van 37 graden - ik kies doorgaande wegen om verzekerd te zijn van voldoende rijwind. Het landschap wordt nu echt eentonig. Dit is de plek waar men suikerriet verbouwt. En niets anders. De enige afwisseling in de plantages is zijn de suikerriet fabrieken, die allen het riet staan te koken. Het verspreidt een onprettige geur. De kwaliteit van de vrachtwagens, die het riet vervoeren, neemt ook snel af. En daarmee de achting voor de verkeersregels. Blijkt er toch nog iets waar te zijn van de verhalen over Indiase rijmethoden in Thailand.

Opeens stuit ik op een kluwen mensen. Het is me de laatste paar kilometers al opgevallen, dat er veel mensen met jerrycans langs de weg lopen en rijden. Het oploopje betreft een tankwagen met aanhanger die verongelukt is. De vrachtwagen ligt links in de greppel, de aanhanger rechts. Uit beide stroomt benzine, die door de mensen in de jerrycans wordt opgevangen. De benzinelucht is sterk - ik zie geen brandweer of politie. Er komt naast me een brommertje met zijspan aanrijden - de bestuurder klemt een brandende sigaret tussen zijn tanden. Tijd om snel verder te gaan...

Mijn reisdoel voor deze tweede dag heet Ko Chang en ik bereik dat eiland in de loop van de middag. Met de veerboot laat ik me overzetten en al snel vind ik een geschikte slaapplaats: een (deels) rieten hut onder de kokospalmen op het strand. De reisgids fotograaf is hier nog niet geweest: het oord zoals het was voordat het in de Holland International gids stond. De kokospalmen groeien totaan de vloedlijn op zand dat wit als sneeuw is. In de baai waarin ik ben terechtgekomen zijn de strandbungalows en twee restaurants. Lekker primitief en heel privé. Ik maak de volgende ochtend een wandeling en kom twee uur lang niemand tegen. Deze plekken trekken een bepaald soort mens, die vóór de grote meute uitreist. Veel Duitsers, die hier komen 'abschalten': weg van de stress zich koesteren in deze oneindigheid van rustgevende golven die breken op dat hagelwitte strand.

De enige duikclub van het eiland heeft panne met de boot: het roer is stuk en er zijn nieuwe onderdelen nodig van het vasteland. Vandaag en morgen wordt er niet gedoken. Ik besteed mijn tijd aan het beantwoorden van e-mail in de ochtend en een heerlijk middagdutje. Toch is het niet helemaal OK: ik mis Carolyn. Na twee keer Bonaire met Carolyn is zij onderdeel geworden van mijn tropische eilanden ervaring. Na één dag heb ik het al gezien, hier. Dinsdag 26 januari verruil ik Koh Chang voor Pattaya.

(Zie verder deel twee van verslag 17)


terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering