terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering

Solo van België naar Australië op een BMW R1100 GS motorfiets.

Elfde verslag - 11 t/m 14 september 1998...

Vanaf Çankiri ben ik, zoals gezegd, naar de Zwarte Zee gereden. Die zee zorgt voor verkoeling van de kust, en dat heb ik geweten. Naarmate ik dichter bij de kust kwam begon het harder te regenen. Toen de buien zich verzamelden en het meer op constante regen begon te lijken, ben ik gestopt om alle spullen (tanktas, mijzelf) van waterdichte lagen te voorzien. Toevallig was dat de 60.000 kilometer grens van mijn motor en toevallig stond ik voor een Lokanta. Dat is een soort restaurant, waar de gerechten altijd al klaar staan en warm worden gehouden. Ze hadden er kippenlever - dat had ik al een hele tijd niet gehad. Het wordt geserveerd met rijst, een salade van tomaten, uien, komkommer en erg hete pepertjes. Het gerecht zelf heeft bonen, aubergine en zo nog wat onduidelijke groenten.

Na nog drie uur rijden door de regen was ik het wel zat: tijd voor een hotel met warme douche en een goed bed. Langs de kust was het niet moeilijk zoiets te vinden en twee uur na het inchecken zat ik achter zo'n sterk smakend potje Turks bier dat Efes heet. Nog wat later lag ik in bed, om 18:30 uur. Ik ben vergeten te eten en werd de volgende ochtend pas om 7:00 uur wakker.

De weg van de Zwarte Zee kust naar Dogubayazit ging verder langs Nize. Het weer was uitstekend, de weg goed berijdbaar. In mum van tijd was ik in Nize. Daarvandaan ben ik pal zuidelijk gereden, naar Erzurum. Tussen de Zwarte Zee en de Anatolische Hoogvlakte ligt een bergrug; de hellingen ervan vangen het regenwater uit de noordelijke luchtstroom vanaf de zee. Een maand geleden haalde dat zelfs het Nederlandse nieuws, toen hier zoveel water naar beneden kwam dat dorpjes werden weggevaagd.

De regen zorgt natuurlijk voor een wat gematigder klimaat en is landbouw mogelijk. Turken drinken graag thee - het wordt hier, op deze hellingen verbouwd. Vanaf de zee loopt het langzaam op; de akkers met thee worden afgewisseld door theefabrieken. Vaak ruikt het naar de toch wat typische geur van Turkse thee. De Turken drinken hun iets anders dan wij doen: Ze hebben twee potten, een grote en een wat kleinere, bovenop elkaar. De onderste (de grootste) bevat gewoon water, dat zachtjes aan de kook wordt gehouden. De bovenste, waarin de theeblaadjes en wat water zitten, kookt niet maar blijft warm. Een glas thee wordt geserveerd door een klein beetje van de zeer sterke thee uit de bovenste pot in een theeglas te schenken, aangevuld met het kokende water uit de onderste pot. De thee smaakt zeer tannine-rijk en is zonder suiker nauwelijks te genieten.

Naar boven rijdend op deze berghellingen zie ik wat van de schade van vorige maand; er wordt erg veel gebouwd aan wegen, nieuwe bruggen. Ook worden bergwanden op veel plaatsen versterkt. Hoe hoger ik kom, hoe meer de bewolking toeneemt. Ik stap af, om wat meer kleding aan te trekken. Maar de weg blijft stijgen en het wordt nog immer kouder. Op 2700 meter hoogte is het drie graden en zie ik geen hand voor ogen omdat ik inmiddels in de wolken-mist ben terecht gekomen. Tot overmaat van ramp ontbreekt het wegdek: men is nieuw aan het aanleggen. Soms duikt er een (onverlichte, natuurlijk) vrachtwagen of bulldozer voor me op - het rijden wordt nu echt onprettig. Opeens ben ik over de top. De zon schijnt, ik heb weer asfalt onder de wielen, de temperatuur loopt snel op naar 20 graden. Niets is te merken van de ellende bovenop de berg; alsof het aan de andere kant van de berg ook mooi weer is.

Daarna kom ik op een hoog plateau. De gemiddelde hoogte ligt boven 2000 meter. Het is een desolaat landschap. Er groeit weinig, de enige activiteit hier is het hoeden van schapen en geiten. Ik steek nog een paar passen over, 2500 meter hoog is hier eerder de norm dan de uitzondering. Daarna begint het toch een beetje te dalen; ik kom tussen 1700 en 2000 meter hoogte te zitten. Hier wordt veel graan verbouwd; men is overal aan het oogsten. En de weg houdt ook weer op. Dit keer voor z'n twintig kilometer aan één stuk. Ik had nooit durven dromen dat ik zoveel off-road te zien zou krijgen. Maar na een tijdje gaat het voorzichtig rijden me vervelen - ik probeer eens hoe hard ik kan (durf) op dit grindpad. Boven 150 gaat de motor slingeren maar blijft gewoon rechtuit rijden, zoals ik dat wel eens gezien heb bij de mannen die van Parijs naar Dakar rijden. Bij 170 houd ik op.

In Erzurum aangekomen vind ik snel een hotel en heb ruimschoots de tijd eens wat te voet te verkennen. Ik vind het stadje een orgeorganiseerde bende, er ligt overal vuilnis, de mensen gooien alles van zich af. Ook de mensen van de winkeltjes gooien alles in de goot. Maar goed - ik hoef hier niet te wonen, alleen te eten. Ik duik opnieuw een Lokanta in en vind een lekker gerecht op basis van Köfte, een soort pittige gehaktballetjes. De twee Israëlis die ik die middag tegenkwam tref ik niet meer, evenmin de Nederlanders op motorfietsen die volgens hen 'in town' zouden zijn. Ik telefoneer nog wat met mijn ouders en ga slapen.

Het reisdoel voor de volgende dag is dan de laatste Turkse plaats voor Iran: Dogubayazit. Een makkie, in kilometers. Maar ik zit niet lekker, om één of andere reden. De weg ernaartoe lijkt veel langer dan ie is. Als ik aankom ga ik wat in het dorpje rondrijden, zoals ik dat bijna altijd doe. Het wordt de eerste keer dat ik met stenen wordt bekogeld door kinderen. Die verwachtten niet, dat ik om zou keren om ze op te jagen en ze deden het niet nog eens, maar opgewekter werd ik er niet van.

Ik ga dan maar op zoek naar een slaapplaats. Er zouden twee 'campings' zijn, boven elkaar, nabij een soort burcht. De onderste zou beter zijn, volgens een ongeveer zestigjarige Duitser en zijn vrouw die ik in Istanbul had ontmoet. Ik ben eerst naar boven gereden, voor het uitzicht. Een plek om wat te eten was er wel, maar niets dat op een camping leek. Beneden was het eigenlijk hetzelfde, afgezien van het feit dat diezelfde Duitser en zijn vrouw er met hun busje stonden. Maar ik werd door de eigenaar hartelijk welkom geheten, ik kreeg thee, maar er werd nergens op aangedrongen. De perfecte manier om mij ergens voor te lijmen.

De Duitser vertelde al in Istanbul allerlei verhalen over corrupte Turkse grensbewakers, stelende Indiërs en onbetrouwbare Pakistanis die allen één ding gemeen hadden: ze willen geld. Zijn auto was door de politie opengebroken en hij had gevochten met een douanier. En hij kon het weten, want hij was sinds 1976 vele keren naar India gereisd. Twee jaar geleden voor het eerst met dit busje. Dit jaar hadden ze geen beste start: hun hond was in Bulgarije doodgegaan en in Istanbul hoorden ze dat een goede vriendin was overleden. De man vertelde me nu dat ie slechte berichten had. Iran zou een oorlog tegen Pakistan overwegen, zo had zijn zoon 'm verteld. En in Istanbul was ie aangevallen omdat ie zijn wisselgeld van 200.000 lire (60 dollarcent) had teruggeëist.

Nou had ik van JC ook iets van een oorlog gehoord: Iran vindt dat ze recht heeft op wraak nadat de Taliban 11 Iraanse diplomaten en vele andere Sji'ieten heeft vermoord. Er zouden 35.000 troepen bijeen zijn gebracht langs de grens met Afganistan, maar dat is ver van de plaats waar de Duitser (en ik) langs zullen komen. Een stukje van onze route loopt dicht langs de grens met Afganistan en ik redeneer dat ik hoogstens teruggestuurd kan worden. Dan zal ik wel op een andere manier in Pakistan geraken. Per boot, bijvoorbeeld. Maar als ik aan de grens met Turkije wordt teruggestuurd dan wordt het moeilijk: Saudi Arabië of een hele trits Russische republieken zijn dan nog de enige mogelijkheid. Ik besluit, tegen mijn eerdere plannen in, zo snel mogelijk door te reizen naar Iran.

Maar de Duitser is al te zeer aangeslagen. Vooral zijn vrouw heeft genoeg gehad. Ik dacht ook al te kunnen merken dat de man niet lekker in z'n vel zit. Hij spreekt zelf van slecht Kharma, en keert om.

Ik zet intussen mijn tentje op in het stof. Want stof is hier voldoende voorradig. De plek is prachtig: vanaf het terras kijk je over heel de stad, vooral in het donker een mooi gezicht.

Juist als ik klaar ben duiken er drie Duitsers op met drie BMW's, twee 100GS-en en één 1100GS. We besluiten gezamelijk de keuken te proberen. We eten een gemengde salade die ik nog niet eerder gegeten had (één van de mannen is pas voor de tiende keer in Turkije en kan al aardig Turks) gevolgd door geroosterde kip en lam. We keuren de keuken goed, geholpen door veel bier.

Intussen is in het restaurant een heel feest ontstaan. In een ruimte die slechts iets groter in dan mijn woonkamer zijn nu alle tafeltjes bezet en zingen vele van de talrijke inheemse gasten met de 'live' muziek mee. (In een hoekje is zo'n modern orgel weggestopt, waarachter nu een zanger/toetsenist/synthesiser programmeur heeft plaatsgenomen.) Veel van de gasten zien eruit alsof ze goed in het geld zitten: dure kleding en horloges. Er zijn geen vrouwen - de garantie voor ongestoorde jongens-onder-elkaar feestjes. Er wordt opvallend veel gedronken: bier, raki en whisky; velen bestellen per fles.

De volgende dag besteed ik aan het schrijven van verslag tien. Maar ik wordt doorlopend gestoord en van schrijven komt bitter weinig. En ik heb besloten de volgende dag te vertrekken. 's Nachts om vijf uur schrijf ik de laatste zinnen en verstuur het verhaal. Eén van de 'schuldigen' is de eigenaar van de camping: Saïm Murat. Een Koerd, en volgens mij een hele slimme.

Deze zoon heeft van zijn vader het restaurant bedrijfje overgenomen, maar is tevens alle grond rondom het restaurant gaan kopen. Zo beschikt hij over een heuse drinkwater bron (het halve dorp komt hier water halen), een soort picknick plek onder de bomen, het restaurant zelf, de plek die je 'camping' zou kunnen noemen en een pension in aanbouw. Toen ie dat allemaal had verworven is de aanvraag voor een toerisme vergunning de deur uitgegaan. Dat geeft hem de mogelijkheid om zijn eigen openingstijden te kiezen en daar komen de raki drinkende lokalen op af, want voor de gelegenheden in het dorp beneden zijn de mogelijkheden feestjes te bouwen erg beperkt. Dat er wat internationale reizigers langskomen is inmiddels bijzaak.

Saïm heeft ook nog een ander bedrijf: olieproducten import. In Iran zijn brandstoffen zo schandalig goedkoop, dat import (lees: smokkel, door omkoping) een goede zaak wordt. Ik ga de volgende dag voor het eerst naar Iran en dus vraag ik hem of ie er vaak naartoe gaat en hoe het er is. "Sinds ik een jaar en zeven dagen in de Iraanse gevangenis heb gezeten, ben ik niet meer zo welkom in Iran", antwoordt Saïm. "Hoezo?", vraag ik. Hij had een truck met alcohol Iran ingesmokkeld en was gepakt. De handel in Johnnie Walker is nog leuker dan diesel en benzine: in Turkije inkopen voor 8 dollar per fles en in Iran 100 waard. Wel illegaal, dus.

Weer wat later komen Glenn en Marianne, per VW LT (een moderne VW-bus) uit Denemarken mijn schrijverij storen. We eten samen, vanavond dezelfde salade als de Duitser gister had besteld (iets roods dat heel scherp was, een beetje yogurt-komkommer-knoflook, een bonensalade en wat sliertjes kippenvlees met verse koriander), gevolgd door geroosterde lamskoteletten. Als je niet van schapenvlees houdt dan kun je hier beter wegblijven, denk ik.

Voor Glenn en Marianne is het ook de eerste keer Iran, morgenochtend. Het levert een soort prettige spanning op - aan de ene kant hebben we helemaal geen zin in de toestand bij de grens, maar aan de andere kant lokt het onbekende ons onweerstaanbaar. Marianne, zeker 1.90 meter lang (ja, langer dan ikzelf, of Glenn), met blond haar, heeft vanmiddag een chador geïmproviseerd. Dat wordt lachen, want die zal altijd wel opvallen... Glenn en ik beschouwen het resultaat nog eens terwijl ik hen help de fles wijn die Iran niet in mag op te drinken.

De volgende ochtend luisteren naar de BBC, maar die zegt niets over Iran. We waren toch wel gegaan, denk ik. Glenn en Marianne gaan iets eerder weg - ze willen nog wat Turks geld wisselen voor Iraanse Rials. Dat kan in Turkije, op de zwarte markt. Maar de wisselkoers ligt slecht, omdat het Turkse Lires zijn. Die worden per maand 8% minder waard. Ik pak in mijn eigen tempo en vertrek om half tien.

De grens is snel bereikt. De teruggkeerde Duitser had ons gewaarschuwd voor een grote Turkse douanebeambte, met kort stekeltjes haar. Die zou bij de mafia zitten. Ik heb niemand gezien, ben in iedere rij lekker asociaal vooraan gaan staan, ik heb de truuk met de achterdeur weer uitgevoerd, kortom, ik was in een kwartier met de Turken klaar. Op het toilet heb ik de paspoorten gewisseld, zodat niemand aan de Iraanse zijde slimme vragen zou stellen over mijn tweede paspoort.

Ik ga aan de slag. Ik krijg een soort route-briefje en niemand spreekt iets anders dan Farsi (de officiële Iraanse taal). Ik loop wat heen en weer en juist als het lastiger wordt komt er een man op me af die me door het hele proces heen zal helpen. Hij werkt in het Tourist Office en ja, zwart geld wisselen kan bij hem ook, hoor! Daar ging het 't om - ze willen allemaal geld. Maar ik had inmiddels uitgevonden dat mijn Turkse Lire door geen enkele bank in Iran zouden worden aangenomen. Mijn ongeveer 100 dollar tegenwaarde zou toch waardeloos zijn. Ik wissel mijn Lires om tegen 4250 Rial per dollar tegenwaarde. (De huidige zwarte-markt prijs ligt rond de 5700.) Hij blij en ik ook. En hulp bij de bureaucraten toe!

Toen kwam er een formulier tevoorschijn dat ik moet ondertekenen. Ik verklaar erin een boel zaken niet bij me te hebben, waaronder: alcohol, onzedelijke lektuur, mobiele telefoons. Ai! Dat was ik nu net even vergeten: als je m'n tanktas openritst is het 't eerste wat je ziet. Die had ik moeten verstoppen. Als de inspecteur wat later voor me opgezocht wordt, open ik de beide koffers en de tanktas demonstratief, maar moffel de telefoon snel tussen de spullen die achterop zijn geknoopt. De inmiddels aangekomen inspecteur trapt erin. Hij toont geen interesse voor de geopende zaken en vraagt voor de vorm wat er in de waterdichte zakken achterop zit. Ik vertel hem wat erin zit en doe alsof ik wil gaan uitpakken, maar de man vindt het al in orde. De hele grens passage in goed anderhalf uur! Als ik klaar ben, komen de Denen net aan bij het Iraanse deel van de grens. Ik ga vast op pad - we spreken af elkaar over drie dagen in Esfahan opnieuw te ontmoeten.

Ik rijd het terrein af, maar nog voor de uitgang (waar ik de hele zaak voor de laatste keer moet laten controleren) wordt ik bestormd door zwart-geld wisselaars. Voor de lol ga ik onderhandelen: ik krijg de koers op 5700 rial. Maar als er een plakbandje aan mijn uit de Verenigde Staten meegebracht twintig dollar biljet blijkt te zitten, dan wil de handelaar van de deal af. Ik geef 'm z'n geld terug.

Mijn eerste reisdoel is Tabriz, dat is zo'n tweehonderd kilometer van de grenspost. Zo vlak na de grens staat alles in het teken van brandstoffen en het vervoer ervan. Overal zijn werkplaatsten voor vrachtwagens, overal staan tankauto's te wachten op lading of reparatie. Opvallend is de leeftijd van de spullen: ik zie zeer oude Mercedes 1928 (dat is het type nummer) vrachtwagens. Die 1928 modellen (er zijn verschillende varianten: 1913, 1918 enz) hebben een motorblok dat niet onder de cabine zit, maar ervoor. De motor is afgedekt met een mooie motorkap met ronde vormen. Ik zie ook het merk Mack. Dat is een Amerikaans merk - die vrachtwagens moeten haast uit de tijd van de Shah stammen, al zien sommige er als nieuw uit. Ze zijn hier erg goed in hergebruik: tanker-trailers die niet meer rijden worden als stationaire opslag gebruikt. Dat de tanks lekken, en de grond eronder bruin ziet van de vervuiling is kennelijk niet zo erg hier in Iran.

In Tabriz is het tijd om te tanken. Er is geen superbenzine, in Teheran pas weer. De normale benzine werkt echter ook redelijk, blijkt later. Alleen als ik vanuit stilstand in de tweede versnelling wegrijd pingelt de motor ernstig. Ik zal er tijdens off-road rijden rekening mee proberen te houden. Hoewel - de wegen zijn daadwerkelijk uitstekend. Tijdens de tankstop wordt ik door een Duits-sprekende Iraniër aangesproken. De gebruikelijke conversatie volgt: waar kom ik vandaan, waar ga ik naartoe. De man waarschuwt me ervoor, niet na achten (in het donker) te rijden over de weg die ik heb uitgekozen om naar de Kaspische Zee te gaan, omdat ie had gehoord dat er weleens toeristen werden tegengehouden en beroofd. Om zeven uur ben ik in Sarab en tenminste anderhalf uur rijden van de volgende grote plaats, die bovendien achter een bergpas ligt. Ik besluit te stoppen.

Het enige hotel in Sarab is vol. Er blijft me niet anders over dan zo'n Mosaferkhune te proberen. Dat lijkt veel op het oteli of Turks pension, in Ermenek. Ik ga naar boven en men laat me de kamer tonen. Het ruikt er sterk naar ongewassen mannen. Er zijn drie slaapplaatsen. Mijn bed is een oude matras, op de vloer, zonder lakens. Ik vraag om een andere kamer, maar die is kleiner en biedt plaats aan evenveel kerels. Ik besluit de matras in de eerste kamer ter zijde te schuiven en mijn eigen slaapmat en slaapzak te gebruiken. We worden het eens over een prijs van 10.000 rial, ongeveer 2 dollar.

Ik verwacht me te kunnen douchen met zo'n kommetje en een bak water, zoals in de hammam in Damascus. Er is geen water... Op de toiletten is geen water en ook geen licht. Het stinkt er naar mest. Kennelijk is er al een tijd geen water. Ik ben blij, dat ik een jongetje ben en mik in het donker ongeveer waar ik de afvoer verwacht.

Ik loop naar buiten om een maaltijd te versieren. Er is een oploopje ontstaan rondom mijn motor, iedereen wil het ding goed bekijken. Naar blijkt, logeer ik niet ver van zo'n klein tentje waar de lokale bevolking uithangt. Bijna de hele groep loopt met me mee naar de eetgelegenheid. Een tijdje beantwoord ik telkens de zelfde vragen maar net als ik er genoeg van krijg komt de baas van het restaurantje me verlossen: hij 'verjaagd' de mensenmassa. Ik ga naar binnen, de keuken in, om te zien wat er op het menu staat.

Er staan een twaalftal kleine aluminium potjes met deksel op een grote hot-plate te pruttelen. Ik til een van de dekseltjes op (en brand m'n vingers) en zie een rood-achig kokend goedje. Niemand in het restaurantje spreekt meer dan alleen Farsi - ik gebaar dat ik het wil proberen. Tevens kies ik voor kebab gemaakt van sterk gekruid schapengehakt. Het gehakt wordt om een platte pen heen gekneed, en vervolgens geroosterd op een vuurtje dat met een grote ventilator even heel heet wordt gestookt. Het geheel wordt geserveerd met het platte brood dat ik uit Syrië en Jordanië ken. Als een inheemse val ik aan: ik neem een reepje brood en verpak daar een stukje vlees en een stukje tomaat in. Dat steek je vervolgens in je mond.

Maar het potje wordt me gebracht in een schaaltje, met een soort stampertje en een normaal bord. Ik krijg er zelfs bestek bij. Ik kijk zo hulpeloos mogelijk en mijn gastheer schiet weer te hulp. Hij verdeelt wat van het platte brood in kleine stukjes en doet dat ik het schaaltje, met de rode bouillon uit het nog immer zeer hete potje. Ik begin te lepelen: het smaakt lekker, als een soep van schapenvlees. In het potje, dat wordt geleegd op het bord, blijken van die kleine nootjes te zitten (die ik niet lekker vind), wat aardappelen, gestoofd vlees en wat gekookte groente. Het stampertje is ervoor alles dooreen te kunnen mengen, maar dat sla ik af. De nootjes mijd ik, de rest eet ik met smaak op. Ik had de mannen 10.000 rial gegeven, ik dacht dat het geen onredelijk begin was voor een dubbele maaltijd. Als ik wegga wordt me wisselgeld gegeven: de prijs komt neer op anderhalve dollar.

Mijn kamer heeft inmiddels twee medebewoners: twee mannen die er oud uitzien. Ze zijn hier kennelijk aan het werk en blijven de nacht over. Als we ons uitkleden blijken de heren een pyamabroek onder hun kleding te dragen. Tandenpoetsen en meer van dat soort Westerse eigenaardigheden doen ze hier niet aan. Ik gebruik er wat van mijn drinkwater voor. Om vijf uur, als Allah vanaf de minaretten oproept tot gebed staan de heren op. Broeken weer aan en klaar. Hun shirts hebben ze gisteravond niet eens uitgetrokken. Handen en voeten zullen ze wel bij de moskee wassen; hoe ze de rest schoonhouden weet ik eigenlijk al aan de lucht, die gedurende de nacht sterker is geworden...

Ik word ik om half acht door de politie uit bed gehaald. Ik had geweigerd mijn paspoort af te geven, maar nu wilde de politie het zien. Eigenlijk waren ze gewoon nieuwsgierig, want met de bladzijde met mijn naam voor hun neus vragen ze me hoe ik heet. Ze kunnen het paspoort niet lezen... De jongen van het restaurantje geeft me nog meer wisselgeld terug en kijkt erg schuldbewust. Alsof ze me hebben opgelicht en er vannacht niet van konden slapen. Ik eet het ontbijt bij hen (plat brood, kwark met honing en veel thee) en blijf nu binnen; ik behoef niet ontzet te worden. Er ontstaat wel een nieuwe oploop als ik ga vertrekken: Het lijkt wel of de halve straat me komt uitzwaaien!

De eerste kilometers gaan vlot, totdat ik weer bovenop de bergen terechtkom: dit keer de bergrug die het binnenland van de Kaspische Zee scheidt. De pas is erg hoog en ik raak weer in de wolken, maar dan letterlijk. Het is koud, maar ik verwacht, dat het niet lang meer zal duren voor ik bij de zee uitkom, waar het warmer zal zijn. Als ik helemaal verkleumd ben en toch maar wat extra's heb aangetrokken blijkt het nog maar een paar kilometer te zijn. De 25 graden die het aan zee blijkt te zijn is weldadig. Ik heb wel een paar uur nodig om weer op te warmen.

Het is donderdag en da's zoiets als zaterdag voor Moslims. En dat kan ik goed merken: er is veel verkeer onderweg van en naar de kuststrook. Ik kom in een dorpje aan waar een benzinepomp zou zijn maar ik raak vast in het wel zeer drukke verkeer. Als ik dichterbij het tankstation kom, blijkt de drukte veroorzaakt te worden door de lange rij met auto's die willen tanken. Een agent poogt de toestroom in bedwang te houden. Ik zet mijn motor maar even voor het tankstation neer om uit te vinden wat er loos is. Er is geen electriciteit. De pomphouder heeft ruzie en is erg boos; hij heeft de hele installatie uitgeschakeld. Als ik terugloop naar mijn fiets staan er wel vijftig mensen omheen! De motor is natuurlijk een aardige afleiding tijdens het wachten. De agent komt op me af en vraagt me of ik het ding van de weg wil halen: hij kan z'n werk niet doen met al die mensen op de straat. Enfin, een half uur later lukt een bemiddelings poging en unaniem vindt de menigte dat ik de eerste moet zijn. Als mijn tank vol is ontstaat een vechtpartij over wie er dan mag. Ik betaal mijn schuld van 80 dollarcent voor ruim 20 liter benzine en ik smeer 'm, voordat ik ook een mep krijg.

Aan het eind van de middag gaan de verspreide buien over in regen. Ik moet dan nog een bergpas over van 2900 meter hoog richting Teheran. Gelukkig is het niet koud, zo aan het eind van de dag. Iraniërs rijden als bezetenen en op deze natte bergpas tel ik zeven ongelukken, waaronder twee frontale botsingen na mislukte inhaal pogingen, twee auto's die afgronden inrijden en één die de bocht uitvliegt (de rest is kop-staart - niet spectaculair). Als het verkeer helemaal vast zit en het ook nog donker wordt, stop ik voor een partijtje kebab, in de ijdele hoop dat de regen zal ophouden terwijl ik probeer (onder andere) geroosterd schapenhart aan een spies naar binnen te werken.

Als ik weer (het regent nog steeds) verder ploeter ben ik mijn leven niet zeker met deze gekken die in onverlichte auto's gewoon links blijven rijden en ervan uitgaan dat ik ze wel zie. Opeens duikt een groot, luxe hotel op; de kamer kost slechts 10 dollar en er is warm water. Zelden was een gewone douche zó prettig.

Vrijdag (de zondag voor Moslims) begint met zonneschijn. Het hotel ligt net voorbij de top van de pas en de wolken hebben zich gedurende de nacht teruggetrokken. Er is nog steeds (of alweer) veel verkeer maar nu vooral tegenliggers. De mensen uit Teheran trekken allemaal de bergen in of naar het strand. Het valt me op, dat de stadse mensen het minder nauw nemen met de Islamitische geboden: ik zie vrouwen auto's besturen, vrouwen in lichte kleding, zelfs alleen een hoofddoek in plaats van een volledige chador. Niemand draagt zo'n ding dat alleen de ogen vrijlaat. Een T-shirt is voor mannen acceptabel. Ik constateer, dat de verhalen over Komite (de religieuze politie) wat overtrokken moeten zijn, of dat er veranderingen gaande zijn.

Ik besteed de dag aan het (rijdend) bekijken van Teheran. Ik leer hier snel even de verkeersregels voor motorrijders: geen regels. In Iran zijn motorfietsen wel toegelaten, mits ze kleiners zijn dan 250 cc. Ik zie eigenlijk alleen maar 125 cc 'motoren'. Maar ik val met mijn monstreuze machine in dezelfde categorie, hoewel indeling bij auto's logisch was geweest. Die 125cc brommertjes doen alles wat mogelijk is: de busbaan gebruiken, over wandelpaden rijden, tegen het verkeer ingaan, links en rechts inhalen, enzovoort. In de middag is een weg afgezet door de politie (op een 125 cc 'motor'); ik wil rechtsaf (noordelijk) maar er staat een éénrichtingsbord. Ik vraag de agent hoe ik moet rijden en man gebaart lichtelijk geïrrteerd: "En wat is er mis met de weg die hier voor je ligt?". Tja, als ik door de politie tegen het verkeer in word gestuurd dan zal het wel in orde zijn...

Ik vind Teheran wel leuk, maar niet mooi genoeg om er de nacht te blijven. Als ik 'Internet' zeg dan begrijpt niemand waar ik het over heb, dat café (als het al bestaat) zal het zonder mijn klandizie moeten doen. Tegen het eind van de middag ga ik op weg naar Esfahan. Die stad zal ik wel niet bereiken, dat is te ver. Ik strijk neer in Kashan, een beetje op aanraden van de Lonely Planet reisgids. Daar krijg ik gelijk spijt van. Het enige hotel in Kashan is 'gewend' aan toeristen. De receptionist spreekt te weinig Engels (of iets anders dan Farsi) om zijn botheid jegens vreemdelingen te rechtvaardigen. Als ik weiger mijn paspoort af te geven dreigt hij mij het hotel uit te schoppen. Ik betaal vooruit - da's kennelijk hetzelfde als een paspoort. De volgende ochtend wordt me een ontbijt geweigerd, omdat het 3 minuten na half negen is als ik geradbraakt uit het slechte bed ben geklauterd.

De avond was wel leuk: ik ben op zoek naar een eetgelegenheid en vind een sandwich tentje. Ik koop een sandwich (jawel, schapenvlees) terwijl mijn motor buiten op me staat te wachten. Er ontstaat weer een oploopje rondom de machine. De buurman komt binnen om met me te praten, het is zo iemand als Halil: spreekt weinig Engels, maar we hebben geen probleem elkaar te begrijpen. Met sommige mensen heb ik dat. De man is fotograaf / zeefdrukker / reklametekenaar / schilder en zo nog wat creatieve beroepen. We hebben veel lol, maken foto's met mijn piepkleine cameraatje in een professionele studio (de zusterflitsen hebben de foto's vast overbelicht) en drinken de onvermijdelijke thee. APS (advanced photo system) is hier zelfs nog niet aangekondigd. Daarna ga ik 'echt' eten is een goed restaurant. Ze laten me met rust, zelfs als ik de palmtop tevoorschijn haal. Heerlijk!

De protesten zorgvuldig negerend heb ik het hotel nog wel even van een liter ijswater afgeholpen voor mijn thermosfles. Eénmaal onderweg had ik de route die op de kaart weer als mogelijk onverhard te boek stond, snel gevonden. Als ik mag motorrijden in bergen dan is een lege maag wel het laatste dat me bezighoud. Om drie uur 's middags zou ik me pas realiseren dat ik weer was vergeten iets te eten. De weg is overigens helemaal niet onverhard - in tegendeel: ze is in perfecte staat! En hoog: de GPS denkt dat het 2650 meter hoog is. Mijn hele dag is al goed, maar het wordt nog beter.

De Iraniërs doen erg moeilijk over hun visa. Met veel moeite en een week (!) wachten krijg je een transit visum voor 5 dagen. Dat betekent, dat je vier dagen lang door Iran mag trekken en de vijfde dag zou je dan bij de Pakistaanse grens moeten aankomen. Ik denk, dat het mogelijk is, maar dan ben je wel kapot als je in Pakistan aankomt en heb je niets gezien. Remedie: visum verlengen. Dat kost, naar verluidt, een halve dag stoeien met bureaucraten. In Esfahan (mijn reisdoel voor vandaag) schijnt dat vrij gemakkelijk te gaan. Na aankomst in Esfahan stop ik om uit te vinden waar ik dat visum moet verlengen. Nog voor ik de reisgids heb opgeduikeld stopt er een brommertje naast me en de passagier vraagt in goed Engels waar ik naartoe wil. Ze gaan me voor naar het Imam Khomeini plein, waar volgens de in Canada wonende Iraniër het kantoor zit voor de verlengingen.

Om tien voor twaalf komen we door enorm druk verkeer aan op het prachtig aangelegde plein. De behulpzame man blijkt zich vergist te hebben: mijn reisgids spreekt van het ministerie van buitenlandse zaken, nabij de universiteit. Een half uur lang rijden we opnieuw door Esfahan. We nemen afscheid en ik loop naar het loket. Er hangt een papier in het Engels: "No visa extensions. Do not ask questions.". Dat begint goed. Ik stel geen vragen maar geef de streng uitziende man mijn paspoort. Ik krijg het gelijk terug met twee formulieren. Ik loop naar een tafel waar twee andere reizigers zitten te schrijven.

Het is een Australisch echtpaar. Ze hebben in Engeland een Audi 100 gekocht en willen over land (zoals ik) naar Australië. Ze hebben net drie dagen vastgezeten aan de grensovergang die ik in anderhalf uur had geslecht. "Een carnet de passage? Wat is dat?" - goed voorbereid zijn ze niet: ze hebben geen carnet. Ik verwacht dat ze nog veel meer problemen krijgen, maar zeg niks. Ik laat ze mijn carnet wel zien, leg uit hoe het werkt en waar ze 'm kunnen krijgen. De ongeveer 55-jarige man zint op dezelfde wraak als ik in Egypte - voor mij heel herkenbaar.

Ik lever mijn formulieren in, ik moet een fotocopie laten maken van een papiertje in Farsi dat ik eerst moet ondertekenen. Voorts moet ik één van mijn overgebleven twintig pasfoto's en een fotocopie van mijn paspoort afstaan. Daarna moet ik wachten. De reisgids had nog iets gezegd over een gang naar de bank, een formulier dat ik zelf in Farsi moet invullen, twee pasfoto's in kleur en een fotocopie van mijn visum. Dat zal later wel komen, denk ik. Tien minuten later wordt ik gewenkt: mijn 10 dagen verlenging is klaar! Twintig minuutjes! Ik begin al te houden van dit land!

Na deze meevaller is het tijd een hotel te zoeken. Ik vind er een aantal, waaronder het enige vijf-sterren hotel in Esfahan. Maar die is me veel te duur en bovendien is het er helemaal vol met toeristen van middelbare leeftijd die een georganiseerde rondreis maken. Ik kom terecht in het Pol Park hotel - direct aan de rivier die door het centrum van Esfahan loopt. Een prachtplek om als uitvalsbasis te gebruiken om de moskee van Esfanhan en het Imam Khomeiny plein te bekijken.

Tgen de avond ga ik naar data Imam Khomeiny plein: het is een enorme ommuurde ruimte die gedeeld wordt door verkeer, voetgangers en mensen die even komen uitrusten. De muren blijken niet slechts muren, maar de wanden van een bazaar. Ik koop bij de kraampjes wat te eten en begin rond te wandelen. Het voedsel in de categorie fast-food lijkt geïnspireerd op hamburgers: het draait vaak uit op iets vlezigs tussen brood. Ik kies voor geroosterde kip met wat tomaat, ui en koriander.

(rest volgt later...)


terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering