terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering

Solo van België naar Australië op een BMW R1100 GS motorfiets.

Negende verslag - 1 t/m 9 augustus 1998....

De dag begon goed. Da's te zeggen: na een heel korte nacht, want de live muziek bij het zwembad waar ik op uitkeek hield niet op voor één uur 's nachts. Carolyn belde me die ochtend op - net wat ik nodig had na zo'n nacht. Mijn plan was een smit en een schoenmaker te vinden om te zien wat er hersteld kon worden van de opgelopen schade. Ik vond een alumnium verwerkend bedrijf, maar aluminium lassen konden ze niet. Bovendien was de baas weg - het bedrijf was overgelaten aan de zorgen van de al eerder besproken tiener jongetjes. Eén was niet ouder dan een jaar of twaalf en de ander wellicht net vijftien. Maar dat maakte het gemakkelijker om de reparatie zelf uit te voeren. Zo voorkwam ik dat goedbedoelende boormachines mijn motor te lijf gingen.

In de zaak vond ik een paar stalen strips die als spalk wilde gaan gebruiken. Daartoe hebben we de strips op maat geknipt en van gaten voorzien. Met een bankschroef en een hamer heb ik toen de strookjes metaal 'precies' de goede hoek gegeven zodat ze vrij nauwkeurig de afgebroken steun volgden. Daarna werd het deel dat nog aan de motor zat voorzien van gaten en het afgebroken deel evenzo. De kleinste van de twee helpers werd erop uitgestuurd om schroeven te kopen en hij was trots als een pauw dat de door hem uitgekozen schroeven in het project verwerkt werden. Het lijkt te houden en de koffer zit nu weer vast op twee van de drie plaatsen. Het derde punt is de afgebroken haak aan de koffer en die wordt een beetje op z'n plaats gehouden door een strap. Het zit nu goed genoeg om de ferry naar Egypte te nemen, vind ik.

Nog even op zoek gegaan naar een schoenmaker om de afgebroken haak aan de tanktas hoes te laten vervangen. Met dank aan Nerons Sport in Naarden-Vesting (de importeur van IXS motorkleding, Nolan helmen, Italjet scooters en de tanktassen van Bagster) die mij alle reserve onderdelen die wel eens gevraagd worden bijleverde. Daarna heeft de schoenmaker (was ouder dan 15 jaar - ik kreeg er geen woord of daad tussen) de scheur in de tanktas verstevigd met een stuk leer en het geheel vastgenaaid.

Opgetogen over het resultaat ben ik op weg naar de ferry gegaan. De prijs is 19 dollar voor mij, 20 dollar voor de motor en nog een paar dollar voor het gebruik van de haven (port tax). De boot zou om drie uur vertrekken - we voeren uit op een zeer volle boot om vier uur. Ik heb nog niet eerder zoveel kakkerlakken bijeen gezien. Ze kruipen overal, ook op de kleding van sommigen van de passagiers die dat kennelijk normaal vinden. Kakkerlakken zijn volhardend: ik heb er één gezien die een half uur lang de geschilderde wand probeerde op te klauteren maar er telkens vanaf ongeveer twee meter hoogte weer afviel.

De overtocht duurt ongeveer drie uur; om zeven uur kwamen we aan in Egypte, in een gehucht geheten Nuweiba. Het schip heeft twee verdiepingen voor voertuigen, de bovenste voor personen auto's. Na het afmeren was iedereen naar z'n auto gegaan, ingestapt en de airconditioner aangezet - binnenin het schip, net voor de machinekamer, was het erg warm (buiten in de wind van veertig graden was het wat koeler). Ik dacht dat ik dood ging van de uitlaatgassen van de net gestarte auto's. Er kwam echter geen beweging in de rij - enkelen stapten uit. Na een half uur zijn we de overgebleven stationair draaiende automobilisten gaan vragen of de motor uit mocht. Het bleek uiteindelijk anderhalf uur te duren voor de schuit afmochten.

Met een lichte hoofdpijn kwam ik op een groot platform, waar ik eerst naar Immigratie moest. De regels zijn kortelings weer veranderd: ik blijk nu toch weer wel een visa nodig te hebben. Kosten: 15 dollar, te voldoen bij de bank aan de andere kant van het complex. Ik krijg twee zegeltjes die terug bij Immigratie in mijn paspoort worden geplakt. Afgezien van de wandeling door de hitte ging het pijnloos - ik was helemaal klaar voor de volgende stap: de douane.

De douane verzamelde alle mensen op een grote parkeerplaats waar werkelijk iedereen aan het uitpakken was. Er lopen figuren rond die duidelijk iets inspecteren of doorzoeken maar ze hebben geen uniform. Het is een chaos. Iedereen loopt door elkaar, volledige gezinnen zitten op de grond, vermoeide kinderen huilen. Een paar tieners voetballen met een lege waterfles.

Naast de parkeerplaats zijn een paar kantoortjes, maar er is niemand die ook maar een woord anders dan Arabisch spreekt, of die mijn uit mijn boekje opgelezen vragen (wil?) begrijpen. Een paar jongeren hebben er plezier in de buitenlanders (een Engels stel met hun dochter, vier Poolse jongens in een oude VW bus en ikzelf) opzettelijk verkeerde aanwijzingen te geven. Als ze mij voor de tweede keer 'raad' geven heb ik door dat ze aan het spelen zijn. Ik geef er één een draai om zijn oren waar z'n oor rood van werd. De buitenlanders werden daarna niet langer door hen 'geholpen'.

De functie van de hele procedure is het tijdelijk importeren van mijn motorfiets. Er zijn eigenlijk maar twee documenten voor nodig: het Carnet de Passage en mijn paspoort. Uit het Carnet wordt een derde deel van een bladzijde gescheurd, het paspoort krijgt een vermelding dat de houder van dat paspoort met 'iets' het land is ingekomen en dat ie geacht het ook weer uit het land mee te nemen. Vrijwel elk land dat ik tot nu toe heb bezocht schrijft of typt (op een computer, jawel) mijn naam, paspoortnummer en motorfiets in een soort logboek.

In Egypte, deel van Afrika, is dat wat lastiger. Daar was ik al voor gewaarschuwd en ik maakte me nog geen zorgen. Nadat ik die knaap een draai om zijn oren had gegeven dook er een politieagent op. 'Tourist Police', om ons te helpen. Er werd een mannetje opgetrommeld die op een hoekje van een papier met een potlood een afdruk maakte van het ingeslagen chassisnummer van mijn motor. En dat zit op een werkelijk onmogelijke plaats bij de mijne. Bovendien was het inmiddels donker en de man had geen lamp. De rest van het papier was een Arabische vragenlijst die ik met de hulp van de agent invulde. Het formulier verdween een kantoortje in, de agent werd weggeroepen en ik wachtte.

Met mijn carnet in de hand ben ik op zoek gegaan naar de inspecteur die zich het bazigst gedroeg - het was inderdaad de chef. Hij wilde opnieuw het chassisnummer zien, dit keer om het carnet te kunnen controleren. Het nummer bleek te kloppen. Ik moest opnieuw wachten.

De agent dook weer op - hij had een huilende, alleem reizende Amerikaanse geholpen die in het donker het terrein niet afdurfde. Ik moest twee kartonnen dossiermappen kopen voor tien pond (3 US dollar) en die werden gevuld met fotocopieën van mijn paspoort en visa. Bij de rederij moest ik voor twee dollar een briefje kopen dat verklaarde dat de rederij mijn geliefd brommertje voor me had vervoerd. Het kantoor was natuurlijk weer aan de andere kant van het complex. Met de dossiermappen kon ik naar een kantoortje waar ik al drie keer uitgestuurd was. Maar nu was het goed - er werd driftig op mijn carnet gekrabbeld. Ik kreeg een briefje (in Arabisch) waarmee ik naar de kassier moest (aan de andere kant van het terrein - ik heb nu de motor maar genomen). Ik bleek nu 265 pond te moeten betalen (bijna negentig dollar).

Ik geloofde het niet meer. Ik was nu al drie uur bezig en was een beetje geërgerd. En nu nog even 180 guldens betalen omdat een vent in een vies, afgetrapt kantoortje dat op een briefje schrijft? Hadden al die Egyptische gastarbeiders, die terug kwamen uit Kuwait, Abu Dabi, Dubai en Saudi Arabië ook zoveel geld betaald? En zonder al te veel gemor? Ik kon me het niet voorstellen en besloot niet te betalen en terug te gaan voor uitleg. De agent was weg, de Engelsen geloofden mijn verhaal niet, maar zij waren net in de fase 'aankoop dossiermappen'. Ik wachtte.

De agent was nu de Engelsen en de Polen aan het helpen, want bij mij was niets te halen, voorlopig. Ik wachtte af, om te zien of mijn mede-bootgangers ook mijn lotgenoten zouden worden. En jawel! De Polen moesten 515 pond (172 dollar) en de Britten 1015 plus 1400 pond (totaal 805 dollar) betalen! De vier jonge Polen waren er snel uit. Zoveel geld hadden ze niet - ze zouden wachten op de boot terug naar Aqaba. Dat bleek dezelfde als waarmee we waren gekomen. De afvaart was weer om drie uur, de volgende dag. De bureaucraten reageerden met de opmerking dat de bus moest achterblijven en dat de jongens het terrein afmoesten (zij hadden immers ieder een visum). De andere bedragen die ze al betaald hadden kregen ze natuurlijk niet terug. De Polen protesteerden heftig en bleven wachten.

De Britse man was door het dolle heen. Hij had geen carnet en dat kostte hem 1400 pond. De motor in zijn Range-Rover was meer dan twee liter, vandaar de 1015 pond. De agent probeerde te bemiddelen maar de bureaucraten gaven geen krimp. Ik wilde kennis nemen van een officieel stuk (eventueel Arabisch) waarin deze tarieven waren vastgelegd. We togen naar een alweer vies kantoortje - dat van de agent. Hij had een brief van het Egyptisch verkeersbureau. De eerste zin over belasting: "The import tax is usually 100 Pounds..." Toen wist ik het zeker: ze waren hun eigen zakken aan het vullen.

De parkeerplaats was inmiddels helemaal leeggestroomd. De laatste paar auto's werden nog opnieuw opgetuigd, want de meesten waren tot ver boven hun capaciteit beladen met goederen uit de rijke oliestaten. Ik kon niemand vinden die verklaarde ook een bedrag tussen de 265 en 1015 pond te hebben betaald. Het werd middernacht. Ik had schoon genoeg van de mannetjes in de kantoortjes en zij konden mij inmiddels ook wel wurgen. De spanning was te snijden.

Ik bestudeerde de brieven (die ik achterover had gedrukt) nog maar eens. Kennelijk is er een belasting, geheven in drie klassen naar motorvermogen, die iedereen die Egypte binnenkomt met een vervoermiddel, moet betalen. Behalve als je een groep op doorreis bent en één van de leden is de eigenaar van het vervoermiddel. De logica ontging me, maar de Engelsen waren er mee geholpen. Die mochten voor 100 pond door (en toen begonnen zij opnieuw, maar nu voor het carnet). Zij mochten in drie dagen naar Port Said rijden om daar de boot naar Cyprus te nemen.

Ik was, ook volgens mijn wiskunde leraar, een groep met één lid. En ik vond dat dezelfde regeling ook op mij van toepassing was. Dus niet. Ik debatteerde, dramde, wendde me tot de chef, sloeg op tafels en werd verbaal gewelddadig. Ik verdomde het ten enen male een behoorlijk bedrag neer te tellen voor een paar dagen duiken in Egypte. Helemaal omdat de reden waarom ik het moest betalen me niet duidelijk gemaakt werd, tenminste niet duidelijker dan: "it's the law".

Maar we waren het allemaal zat, en na een uur kreeg ook ik mijn transit-import, op voorwaarde dat ik naar Port Said zou gaan. Dat is namelijk de dichtsbijzijnde grens, afgezien van Israël. Ik moest nog wel even verzekering betalen: 15 pond. Ik kreeg opnieuw een klein briefje en daarmee moest ik naar de 'Traffic Police'. Die wilden 32.50 pond hebben. Ik ontplofte zowat! Ik begon meer op een financiële melkkoe te lijken dan een vreemdeling die te gast zou zijn in andermans land (en daar nog geld zou gaan besteden ook). Dit keer was het voor mijn nieuwe nummerplaten. Jawel! Of ik mijn eigen Belgische kenteken maar even wilde verwijderen en de nieuwe plaat wilde aanbrengen. Oh ja: aan de voorzijde moet er ook één. Eén plaat heb ik demonstratief in mijn koffer gestopt, de andere met een stuk tape over de Belgische plaque gekleefd.

Ik kreeg (bijna in een handgemeen verzeild geraakt) mijn carnet, voorzien van de benodigde stempels, terug. Het handgemeen ontstond toen ik de spelletjes van de chef-douane zo zat was dat ik het kantoortje waar mijn carnet ligt zelf opentrok en het carnet van tafel grisde. Mijn paspoort is beplakt, gestempeld en beschreven. Het geheel neemt twee (toch al schaarse) bladzijden in beslag. Zelfs het serienummer van mijn GSM telefoon staat erin, hoewel ze hier niet eens een GSM netwerk hebben. Ik wilde de naam van de chef hebben. Die wilde hij wel geven, maar niet opschrijven. Ik zal zijn naam, Muhammed Mahmoed El-Faragh niet licht vergeten.

De dochter van de Engelsen was opgehouden te klagen over haar honger (er was niets te eten en de slobber met rijst uit de kakkerlakken-keuken tijdens de overtocht hadden we links laten liggen): het meisje was in slaap gevallen. Het was dan ook al half twee in de nacht. Maar de Engelsen waren er nog niet uit: Het carnet bleef een probleem, al was de prijs gezakt naar 800 pond. Ik heb er niet op gewacht. De Polen zouden de bus gaan parkeren en zijn niet meer gezien (maar ze hadden mij verteld dat ze in de bus wilden gaan slapen). Ik ben 'm gesmeerd, maar niet voordat dat nog twee andere groepen gewichtigdoeners werkelijk alle papieren die ik had nog eens hadden nagezien. Wat een ontvangst!

Op de boot had ik uitgebreid zitten kletsen met wat andere reizigers (zonder voertuigen, de slimmeriken) en die hebben me verteld dat Dahab, ongeveer 80 kilometer ten zuiden van Nuweiba, de perfecte plek is om wat uit te rusten. En wat rust kon ik na deze stress wel gebruiken. Na twee kilometer stuitte ik op het eerste checkpoint. Ik blafte nogal onterecht: "Wat moet jíj nu weer?" De man met het onvermijdelijke machinegeweer keek me verbaasd aan, wuifde mij door en sprong zelfs in de houding. Bij het volgende checkpoint (het wemelt hier van de checkpoints en toch worden toeristen in Luxor opgeblazen) tover ik toch eerst maar een paspoort voordat ik begin te schelden. Bij de derde (de klok wijst inmiddels drie uur 's nachts) gebruik ik de eerste methode. Ook hier mag ik doorrijden. Ik heb inmiddels wat tips voor terroristen.

In aardedonker Dahab wilde ik een hotel met een airconditioner zodat ik tenminste goed zou slapen in deze korte nacht. Ik vond een heel mooi hotel (mooier dan het Mariott in Beirut) dat baadde in het licht. Ik kreeg een kamer op de begane grond, zeezicht en naast het zwembad. De airconditioner was geruisarm en werkte uitstekend. Met enige tegenzin ben ik om negen uur opgestaan.

Dahab was vroeger een Bedoeïnen plaats, maar nu is het vergeven van de toeristen. De tenten langs het strand zijn vervangen door metalen constructies met een rieten dakje en daaronder in de schaduw zijn de typische bedoeïen-stijl zit-lig plaatsen. Overdag zijn het zitplaatsen voor mensen die thee drinken of wat eten. In de nacht kun je voor 5 pond zo'n plaats gebruiken om te slapen. Het is wel de hele nacht ruim dertig graden en de 'bedden' zijn niet fris. Maar dat zijn de meeste rugzak toeristen ook niet. Sommigen bivakkeren hier wekenlang. Douchen doen ze met een fles water, of ze gaan een tijdje in de zee liggen.

Ik ben op zoek naar een duik centrum. De eerste die ik vind kan mij meenemen op de tweede duik van vandaag. De uitrusting ziet er afgeleefd uit. Om twee uur zal er een vrachtwagentje met open laadbak komen die de duikers (zes in totaal) naar de duikstek zal brengen. De duik is zo lang (of kort) als degene die het eerst door zijn lucht heen is. Ik bedank en besluit het up-market, in een duurdere club, te proberen. Ik ga naar het Novotel. Ik tref er serene rust, Scubapro uitrusting en een manager die graag een extra klant wil. Ik maak die middag twee duiken met privé gids en privé chaffeur die de auto in de gaten houdt terwijl wij duiken. En dat op de twee mooiste duikplekken van Dahab. Mijn luchtverbruik blijkt lager dan dat van de gids, maar nog steeds houden we het beide keren meer dan 50 minuten vol.

De Rode Zee (pas op: ik generaliseer nogal, met mijn vier duiken) is op 25 meter diepte te donker voor uitbundige koraalgroei. Op deze diepte (en dieper) zwemmen we door een spectaculaire vallei, gevuld met allerlei vis. Aan het eind komen we in een soort kamer, die vanwege de bescherming die de ruimte biedt, helemaal vol is met een school kleine visjes. Onder de school is het donker, zoveel visjes zijn er. Het zicht is minder dan een meter binnenin de dichte school. Ik vond het prachtig. Op 7 meter is het koraal het mooist: vele verschillende soorten, ook enige die ik niet herken, en het is er mooi licht. De vissen zijn wat minder talrijk dan op Bonaire - dat blijft toch mijn favoriete duikplaats.

De tweede duik begint in een bel: een klokvormige opening in de rotsen die naar onderen wijder wordt. We zwemmen erdoor - wat mij opvalt is de grote schade aan het koraal. Kennelijk wordt iedereen door dat gat gesleept, ook de duikers die wel eens het koraal aanraken. Veel koraal is afgebroken, alles ligt vol met zand en stof. Wat overblijft is de opmerkelijke vorm van de bel, maar dat is alles. Opnieuw blijft de gids op 25 meter zwemmen en ik vraag hem of we naar boven kunnen. Dat doen we en het wordt een prachtige duik. Tegen het einde zien we een octopus met zijn tentakels de ruimtes onder rotsen afzoeken. Alle acht armen bewegen onafhankelijk van elkaar. Het bovenlichaam van het beest verandert van kleur als ik mijn hand een schaduw laat werpen. De gids moet me na een paar minuten meetronen omdat hij het koud krijgt. Ik kan iedereen aanraden hier een weekje te gaan duiken, zeker voor zo'n afbraakprijsje per vliegtuig. Neem wel je eigen uitrusting mee - één van mijn regulators bleek zo ernstig te lekken dat we van een andere gids een regulator hebben geleend. Het geleende apparaat ademde zeer zwaar. Oh, wat mis ik mijn eigen duikuitrusting!

De tweede nacht in de 'Swiss Inn' was minstens zo prettig als de eerste en veel langer. De volgende ochtend wilde ik maar Caïro rijden om vervolgens in Port Said de boot naar Cyprus te nemen. Ik reed eerst naar Sharm-el-Sheik in het uiterst zuidelijke puntje van de Sinaï woestijn. Een bekende duikbestemming en helemaal vol met hotels en duikcentra. Er was ook een groot kantoor met Tourist Police en ik besloot verhaal te halen over mijn douane-trauma. Het draaide erop uit dat de chef van Nuweiba werd gebeld en daarmee ontstond een herhaling van zetten. Zelfs het gegeven dat de Israeliërs in mijn hotel slechts 100 pond hadden betaald, hielp niks. Ik droop af.

Vanaf Dahab naar Sharm-el-Sheik loopt de weg door de woestijn. De terrein is bergachtig en de bergen hebben prachtige pasteltinten. Ik geniet van het uitzicht, van de kamelendrijvers, het zicht van de kuddes met geiten en vraag me af hoe iemand ooit zou kunnen wennen aan de ongelofelijke hitte. Het is ruim veertig graden, mijn motorpak is aan alle kanten dichtgeritst. De Bedoeïen wonen hier alsof er niets aan de hand is en zijn niet zeiknat van transpiratie.

Van Sharm-el-Sheik naar het noorden is veel minder mooi: het is er vlak en de bergen zijn alleen nog in de verte te zien. De wind is nu echter aanlandig - ze blaast over de zee. De temperatuur daalt iets. Maar nu besluit de brommer tot kuren. De motor doet iets geks: na ongeveer een uur rijden in de hitte houdt ie soms een paar slagen in. De fiets remt dan sterk en ik vrees het ergste voor mijn achterband. Na een fractie van een seconde gaat het dan weer verder. Ik laat de machine een tijdje staan afkoelen en rijd weer verder. Na een kwartiertje begint het opnieuw. Ik twijfel of ik Port Said (600 kilometer) ooit zal halen. Ik besluit het risico te stranden niet te nemen en ik sla af naar het oosten, terug naar Nuweiba. Ik hoop, dat ze daar niet moeilijk gaan doen dat mijn driedaags transit visum van Nuweiba naar Nuweiba leidt.

Ik ben het brommertje dankbaar voor zijn kuren, want het blijkt het mooiste stuk woestijn dat ik ooit heb gezien. Eerst gaat het snel omhoog naar 800 meter. De temperatuur daalt nog iets, de kuren houden op. De bergen zijn heel zacht rose, soms gewoon zwart en andere keren gelig. Maar de rose tinten, soms neigend naar paars, overwegen. Ook het zand is er in vele kleuren: van flink rose tot hard geel. De bergen zien er ongenaakbaar uit. Er groeit hier niets. Hoewel, in het zand, dat zich tegen sommige van de rotsen lijkt te hebben aangevleid, houdt hier en daar een polletje gras stand. Op sommige plaatsen heeft het zand gewonnen: er zijn zandbergen ontstaan. Het zijn bergen met een ogenschijnlijk messcherpe bovenrand en een door de wind gewelfde onderkant. Het zand ziet er zo zacht uit, dat ik er in zou willen liggen. Het is een groot contrast met de kale, harde, onbegroeide bergen.

Ik kom bij de eerste oase aan. Ineens groeien er palmbomen, en ik zie weer mensen. Er rijdt zelfs een busdienst van hier naar de kust. Alles wat ik me ooit had voorgesteld bij een oase wordt hier waarheid. Het is een toevluchtsoord in deze dorre, ontoegankelijke wildernis. Ik maak een foto, één van de laatsten (ik heb weer eens slecht geplanned). Ik was kennelijk nog niet in het hart van de oase - om de bocht staan zelfs Eucalyptus bomen. De rit gaat door, ik ben onderweg naar Sint Katherine. Dat is de plaats waar Mozes de tien geboden .... Tja. Nu val ik wel even door de mand: ontving Mozes die geboden of heeft ie ze zelf bedacht? Het zal wel op één of andere wijze door God ingegeven zijn. De plaats dus waar Mozes de tien geboden ontving. Mozes zelf was al weg, er restte slechts een klooster. Ik had geen zin dat van binnen te bekijken. Er was wel film te koop - ik heb me laten tillen voor een rol AGFA film.

De rest van de reis leidde terug naar Nuweiba, langs vele checkpoints. Ik had nog één Egyptische nacht tegoed en één ochtend. Het Hilton hotel in Nuweiba is de enige met een duikclub - ik check in. Er zijn één andere duiker en de gids ingeschreven voor de twee ochtend duiken. De volgende ochtend gaat het per Jeep naar een duikplaats aan een zandstrand - meestal is dat slecht nieuws, omdat het zand vaak ook op het koraal ligt. En zand verstikt koraal en daarmee verdwijnt alles wat zo typerend is voor koraalzeeën. De andere duiker (Paulo) draagt een shortie (een duikpak met korte mouwen en pijpen) en twintig pond lood. De handtekening van een beginner. Onder water was het al snel duidelijk dat als ik iets wilde zien dat ik Paulo vóór moest blijven: achter hem niets dan opgeworpen zand en afbrekend koraal. Dat een gids van een centrum die in haar folder opschept over haar ecologisch verantwoorde aanpak dit alles laat gebeuren is me een raadsel.

De duik is niet spectaculair en andermaal te diep naar mijn smaak. Op de terugweg speel ik een tijdje met de garnalen van een cleaning station maar als Paulo bijna bovenop een stuk koraal gaat zitten om te kijken zwem ik door. Een 'cleaning station' is een plaats waar garnalen of gobies (een vissoort) onder een stuk koraal zitten. Een grote vis zwemt soms met zijn bek naar voren naar dat stuk koraal toe, en spert bek en kieuwen open. De garnalen komen dan tevoorschijn en gaan in de bek van de grote vis de algen opeten. De grote vis zet zijn kaken niet op elkaar - de veel kleinere garnalen hebben niets te duchten. Als je heel stil kunt hangen in het water, dan kun je de garnalen zo gek krijgen dat ze de losse velletjes van je nagelriemen verwijderen. Gratis manicure!

Ik ben nog net op tijd voor de boot - ik moest voor twee uur op het terrein zijn. Iedereen, ook mensen die ik zaterdag niet heb gezien, herkennen me. Mijn hart krimpt - ik verwacht grote problemen. Maar ik besluit eerst de positieve benadering te proberen. Handenschuddend, innemend glimlachend en algemeen prettig neem ik de eerste horden. De agent duikt weer op - hij weet dat ik heb geklaagd bij de baas van de Tourist Police. De chef-douane weet dat ook. Ik krijg voorkeur behandeling en ben in drie kwartier aan boord. Opmerkelijk is wel, dat als je nergens hoeft te wachten, dat het dan nog zo lang duurt. Ik krijg van de 32.50 een deel terug, maar dat gaat gelijk weer op aan meer dossiermappen en fotocopieën. De tien pond die overblijft schenk ik aan de agent (die dat gewoon in het zicht van anderen aanneemt).

Op de boot, gewapend met een fles water, zoek ik een plekje in de schaduw. De vertraging is iets korter: drie kwartier. Ik heb even geslapen, maar als de boot gaat varen kom ik in de zon te liggen en word ik zwetend wakker. De volgende fles water naar binnen werkend ben ik wat gaan rondlopen en tref een paar Duitsers. Met één van hen (ze heet Ruth) ontstaat een aardig gesprek over de onderdrukking van vrouwen. Ik stel mij op het Arabische standpunt en ik poneer dat hier zonder hoofddoek lopen eigenlijk hetzelfde gevoel geeft als in badkleding over de Kalverstraat wandelen. En dat het slechts een kleinigheid is een chador te dragen als je niet anders gewend bent. En dat ik vind dat haar reisgenoot een véél te korte jurk aanheeft. Als Ruth na een tijdje vraagt waarom vrouwen die gestudeerd hebben in de Arabische wereld helemaal geen schijn van kans hebben probeer ik nog dat ze uitsluitend studeren uit een soort academische nieuwsgierigheid die verder bij het krijgen van kinderen geen kwaad kan. Maar uiteindelijk moet ik mijn stelling opgeven. (Gelukkig maar dat ik het niet kan verdedigen - anders zou ik er nog achter kunnen staan ook.)

De scheepsomroep installatie blijft telkens onverstaanbare dingen in het Arabisch omroepen - de luidspreker die het dichtst bij ons is door iets geraakt en geeft een raar vervormd geluid. We zien af en toe mensen met paspoorten heen en weer lopen maar slaan er geen acht op. Als de boot eindelijk afgemeerd is mogen we het binnenste van het schip in om naar de uitgang of naar het eigen voertuig te gaan. Ik had ervoor gezorgd dat ik deze keer op het benedendek stond. Bovendien had ik mijn formuliertje al ingevuld. Maar: er had ook een stempel op gemoeten, en dat kon nu niet meer. Mijn paspoort werd ingenomen - ik zou het kunnen ophalen bij Immigratie, aan de wal. Op het benedendek staan de vrachtwagens. Ik weet niet wat beter is: anderhalf uur benzinedamp of een half uur dieselrook. Met tranende ogen en protesterende longen verlaat ik het schip. Een motor past overal tussendoor en ik stond helemaal vooraan in de rij voor de inspectie. Maar zonder paspoort.

Ik dus naar binnen. Werkelijk alle buitenlanders stonden er bij elkaar - geen van ons had een stempel en al onze passen waren ingenomen. Men was er iets onduidelijks mee aan het doen in een hokje. We moesten wachten. Een uur verstreek. Velen hadden geen visum, maar ik wel. Ik ben op zoek gegaan naar de chef en heb hem de hand geschud alsof ik 'm al jaren kende. Ik heb al mijn Arabisch op hem afgevuurd (niet veel dus) en mij duizendmaal verontschuldigd dat ik zijn taal niet machtig was. Maar dat ik wel een visum had en dus niet in de rij met andere paspoorten hoefde te wachten. Of hij de mijne eruit wilde zoeken en stempelen. Hij deed het nog ook!

Het carnet stempelen was weer iets moeilijker: iedereen moest zes dinar betalen maar ik zeven. Even wilde ik een verhaal beginnen maar bedacht me dat het voor anderhalve dollar de moeite niet waard was. Daarna moest ik een formuliertje laten tekenen bij de chef-douane en weer terug bij het loket kreeg ik in ruil daarvoor een briefje dat me door de uitgang zou helpen. Afgezien van de paspoort problemen een snelle tocht door de douane. De rest van de buitenlanders stonden er allemaal nog toen ik afscheid nam van de Duitsers. De parkeerplaats waar ik alle rijen had omzeild was helemaal leeg. Mijn brommertje stond moederziel alleen helemaal vooraan....

Ik ben weer gaan eten bij Thalal, naast de aluminium club. De beide jongens konden nu aan de baas laten zien waar ze zo druk mee waren geweest toen hij weg was vorige week - ze glommen nog van trots. Ook Thalal vond het leuk me terug te zien en er ontstond het gebruikelijke oploopje. Praten over de motor, of ze erop mochten zitten enzovoorts. Het was mijn laatste avond in Aqaba en ik ging in op de vraag of ze een rondje achterop mochten. De vent met de grootste bek groef zijn nagels het diepst in mijn vel - zo bang was ie. En ik had niet eens een helm op of een jas aan en dan rijd ik echt niet hard.

De volgende ochtend op weg naar Wadi Rum, waar Lawrence of Arabia zijn mannen verzamelde, werd ik weer getrakteerd op prachtige woestijn landschappen. De bergen zijn iets roder en het landschap wordt gedomineerd door bergruggen en valleien met vlakke bodems die veel breder zijn dan die in de Sinaï. In Wadi Rum zelf is weinig te zien, al hebben ze er wel een visitors center. Je kunt er ook slapen in een Bedoeïentent maar ik was om 9 uur 's ochtends niet erg moe. Snel dus naar Petra.

Ik had nogal wat twijfels over Petra. Het was vóór de Romeinse tijd, 2- tot 300 jaar voor Christus, een belangrijke doorvoerplaats voor kruiden, slaven en zijde op wat de Zijderoute heet. Petra ligt heel erg beschut in de bergen - je kunt er alleen redelijk eenvoudig met paard en wagen komen via een kloof van een paar kilometer. De Romeinen verlegden de doorvoerplaats naar (ik geloof) Damascus en daarna was het snel gedaan met Petra. Duizend jaar lang is de gehele stad verborgen geweest, totdat Petra in 1812 werd teruggevonden. Klinkt als Indiana Jones? Klopt! De film (The Last Crusade) is hier deels opgenomen. De twijfels golden mijn tourist-trap allergie. Iedereen die ik ernaar vroeg meldde me dat het beslist de moeite waard was. Nadat ik het hoogst gelegen hotel had uitgekozen voor een nachtje dak-slapen ben ik naar de verloren stad gegaan.

Ik vond het mooi, maar toch een tourist-trap. In de kloof ernaartoe hing de lucht van paardenmest overal. Dat kwam doordat opdringerige mannetjes hun best deden iedereen een ritje op hun kar of paard te verkopen. In de stad zelf hetzelfde, maar dan met kamelen. Een fles water was er erg prijzig gemaakt (driemaal duurder dan een liter benzine). De uit de rots gehakte gebouwen waren aardig, maar mijn verbazing over het feit dat ze dat toen al bouwden is al jaren weg. De stelling van Phytagoras is ouder en wordt nog steeds gebruikt. Waarmee ik wil zeggen dat ik het vernuft van de mensen in de oudheid niet wil afdoen als 'die primitieven die ook een redelijk gebouw konden neerzetten', maar ze veel hoger inschat. Ik heb er toch de hele middag rondgelopen en me kostelijk vermaakt.

Het slapen op het dak bleek een vergissing. Het dak was ommuurd en intussen helemaal vol met rugzakkers. Een paar hadden de hele dag in Petra doorgebracht en hadden juist hun gympies en sokken, die ze die ochtend niet hadden gewassen, uitgetrokken. En zo hingen er nog wat luchtjes. Maar het was al donker en ik had geen zin op zoek te gaan naar andere accomodatie. Bovendien zou de groep Japanners direct naast me voor dageraad vertrekken om de ingangscontrole mis te lopen. Ze vonden de dertig dollar entree te veel. Ik ben ook vroeg opgestaan en was om kwart over zeven op weg naar Amman. De (snel)weg was oninteressant en ik kwam nog voor tien uur in Amman aan.

De Saudische Ambassade had nog geen antwoord en ik kreeg de indruk dat mijn aanvraag nog niet eens weg was. De ambassade van de Emiraten was dicht (op donderdagen en vrijdagen - het Moslim weekend). De rit naar Dubai is wat mij betreft van de baan - ik ga naar Turkije voor service.

In een Internet café heb ik mijn mail opgehaald en op de palmtop gezet en twee urgente berichtjes beantwoord. Tevens op de site van de Bayerische Motorwerke gezocht naar een adres in Turkije - alleen in Istanbul is iets. Gaan we vanuit Turkije bellen. Cyprus heb ik ook laten varen omdat de bootreis mij slechts naar het Turkse deel voert en heel duur is. Bovendien moet ik dan ook weer Libanon in, met alle kosten die daarbij horen.

Van Amman diezelfde middag naar Damascus gereden en gaan slapen in een hotel middenin de stad. Aan de grens nog even 29 dollar lichter gemaakt - de willekeur is volkomen. Van Libanon naar Syrië kost 400 Syrische ponden (8 dollar) en vandaag, vanuit Jordanië, kost hetzelfde verblijfsvisum 32 dollar en is een driedaags transit visum 23 dollar. Ongeveer zes dollar voor het invullen van het carnet is overal hetzelfde. Ik ben door de Egyptenaren nog te murw om me er lang druk over te maken.

Na Damascus rijdt ik naar Aleppo. De motor doet eerst weer vreemd en houdt plotseling op met kuren. Wanneer ik pauzeer voor thee wordt ik weer hartelijk onthaald door de Syriërs. De mensen hier zijn werkelijk hartverwarmend. Mijn motor wordt schoongemaakt, ik krijg water in iedere hoeveelheid, de slippers van de eigenaar omdat hem die grote laarzen veel te warm lijken, mijn sokken worden gespoeld, mijn T-shirt nat gemaakt en de tweede thee mag niet betaald. Weer helemaal onder de indruk vervolg ik mijn weg naar Aleppo, de tweede stad van Syrië. Ik wil er twee dagen blijven, want het is mijn laatste keer in dit land deze reis. De motor begint weer met de kuren. Ik hoop, dat ik in Turkije niet al te ver hoef door te rijden en in het oosten een dealer tref. Een onprettig gevoel over het ding bekruipt me.

In Aleppo verkwist ik opzettelijk de hele dag met kletsen. Ik ga in de souq (het deel van de stad waar alle kleine zaakjes zitten) buurten bij de bedrijfjes die ik uit Noord-Europa niet ken. Ik kom in een zaak waar ze tweedehands tractor onderdelen verkopen. De eigenaar spreekt goed Engels, want hij importeert de onderdelen zelf, vooral vanuit Ierland. Zijn buurman heeft een soortgelijke zaak, maar koopt via hem in. Hij is net terug en heeft 40 ton aan spullen gekocht. Ze komen over twee weken aan. We praten over van alles - incluis de politieke situatie. De man heeft geen kritiek op Assad, wel op de regering rond Assad. De 60 procent defensie uitgaven, de inflatie, de moeite die hij (via stromannen in Libanon en Jordanië) moet doen om de Ieren in Britse Ponden te betalen: hij hekelt het allemaal. Maar Assad is boven alles verheven.

Daarna vind ik een zaak die pompen maakt. Ze gieten het huis van de pomp buiten de stad maar middenin de stad wordt het draaiwerk gedaan. Er is juist een klant voor wie de as van een 15 pk / 2 inch pomp wordt vervangen. De as wordt ter plaatse op een draaibank gemaakt - ik kan Klaas de imitatie van onze docent werkplaats techniek horen doen. Misschien vind ik het daarom wel zo leuk: ik heb zelf ooit eens geleerd met zo'n ding om te gaan. Maar deze mannen kunnen het echt: op de plaats waar de lagers moeten komen is de as een paar micron dikker. Het lager moet er met grof geweld op geperst worden. Past precies.

De volgende stop is voor de lunch. Ik mag niet betalen en wordt meegenomen naar een andere pompenzaak. In principe hetzelfde alleen zijn de pompen hier groter (10 inch pijpen gaan eraan). De man spreekt echter meer Arabisch dan Engels en ik kom wat later terecht in een zaak waar ciliders van diesel motoren worden vergroot zodat een overmaatse zuiger kan worden gebruikt. Dat is een zeer precies karweitje en de man is onder indruk van het feit dat ik inzie dat de cilinder exact recht in de draaibank moet worden gezet. Deze man doet dat door slechts een vloei papiertje tussen de klauwen van de plaat te steken - zo gering zijn de marges. De werkplaats had de mijne kunnen zijn: opgeruimd, de dingen op hun plaats, de draaibank schoongehouden. Even tussendoor wordt een man geholpen die een nieuwe rond een pistonpen laat monteren. Men is hier niet bang zelf iets uit elkaar te halen.

De buurman (een bandenzaak) meldt zich. Hij studeert economie. Ik leid het gesprek (iets te vlug) naar politiek en de jongeman, die goed Engels spreekt, waarschuwt me voor dit gespreksonderwerp. Ik krijg te horen dat er een soort Stasi actief is - een geheime politie die de mensen in de gaten houdt. Opeens voel ik het gevoel van onvrijheid, al denk ik dat ik het veel knellender zou ervaren als ik er echt mee te maken kreeg.

Er wordt thee georganiseerd en een tijdje later brengt de student het gesprek zelf op politiek. En wat blijkt? Iedere keer als ik iets over de regering zeg, dan gaat ie erin mee, totdat ik Assad aanval. Want Assad is OK. En de Israeliërs deugen van geen kant. En Syrië is een democratie die zich in conflicten neutraal opstelt. Ik herken de propaganda en de éénzijdige informatie voorziening. En toch zit de jongeman (ik vermijd zijn naam) vol met kritiek: het monetaire beleid deugt niet, er is geen vrij handels- en personenverkeer, de buitenlandse betrekkingen zijn veel slechter dan die van Jordanië (en die hebben er juist zoveel profijt van), Internet is er niet, er is geen persvrijheid, de buitenlandse bladen worden gecensureerd en het overheidsapparaat is te groot. Mijn gesprekspartner vindt en berust dat één man er weinig tegen kan uitrichten. (Maar goed dat ik hier niet woon - ik zou onmiddelijk in de problemen raken.)

Het was een leuke dag - ik heb veel gezien en nog meer geleerd over Syrië. Ik kom hier zeker nog een keer terug. De volgende keer ga ik in de (vroege) lente, in maart en april, dan zorg ik voor multiple entry visa voor alle landen, dan ga ik naar Israël en verlaat ik het Midden-Oosten per boot vanuit Haifa. Het brommertje zal Egypte nooit meer te zien krijgen. En misschien met een reisgezel, zodat we dingen kunnen doen ik nu niet aandurf: Dwars door woestijnen rijden en wild kamperen.

Allah ma'ak (tot ziens) uit Syrië

Adriaan

PS: Ik ben nu in Ankara. Na het tanken van benzine in Turkije is het inhouden / bokken probleem afgelopen, de kleppen klinken alsof ze nog lang niet gesteld behoeven te worden en het brommertje snort weer tevreden. Om het te vieren besluit ik dan maar gelijk veel kilometers te maken - vandaar dat ik al in Ankara ben. Nu snel op zoek naar een BMW dealer voor onderdelen!

Voor de zorgelijken: het regent hier helemaal niet (zoals in Trabzon) en ik ben om de busongevallen heen gereden. Bovendien heb ik me al een tijdje niet meer in terrein laten zien en ben ik dus ook niet gevallen.


terug naar de vorige aflevering terug naar het overzicht verder naar de volgende aflevering